Samenleving moet leren om moderne techniek te moraliseren

Aldous Huxley's 'Brave new world' wordt vaak gezien als schrikbeeld van een moderne samenleving waarin de techniek de mens beheerst. Maar volgens Hans Achterhuis kan dat ons juist leren dat we techniek moeten 'moraliseren'. Slimme, 'morele' apparaten zoals de snelheidsbegrenzer in auto's kunnen het leven een stuk aangenamer maken.

'Wij doen er goed aan de kracht en de eigenschappen van nieuwe ontdekkingen met aandacht gade te slaan en deze worden nergens beter waargenomen dan in deze drie uitvindingen die in de oudheid volkomen onbekend waren, te weten: de boekdrukkunst, het buskruit en de magneet. Deze drie hebben immers het aanschijn van de wereld vernieuwd; de eerste op het gebied van de letteren, de tweede inzake oorlogsvoering en de derde op het gebied van de zeevaart. En hieruit zijn zoveel veranderingen voortgekomen dat geen enkele staat, geen enkele sekte, geen enkele ster grotere invloed heeft gehad op de gang van zaken dan deze drie mechanische ontdekkingen.'

Deze beroemde uitspraak van Francis Bacon uit het begin van de zeventiende eeuw drukt op pregnante wijze één van de centrale ideeën van het hedendaagse onderzoek van technologie uit. Zowel het filosofisch als het sociaal-wetenschappelijk onderzoek benadrukt steeds sterker de werkelijkheidsveranderende kracht van de moderne techniek.

Dit centrale inzicht botst met de common sense opvatting die techniek vooral ziet als een geheel van middelen voor het vervullen van bepaalde vaststaande behoeften. De inzet van die middelen zou mens en maatschappij verder onberoerd laten. Techniek is in deze visie een instrument dat ons in staat stelt om de doeleinden die wij autonoom vaststellen of de behoeften die wij legitiem achten, op een zo efficiënt mogelijke wijze te bereiken en te vervullen.

Deze instrumentalistische opvatting ziet over het hoofd dat de inzet van techniek ook altijd mens en maatschappij beslissend verandert. Om maar een afgezaagd hedendaags voorbeeld à la Bacon te geven, de pil was veel meer dan een nieuw anti-conceptiemiddel. Zowel de man-vrouw-verhoudingen als de beleving van seksualiteit zijn hierdoor meer veranderd dan door welke voorlichtingscampagne of actie ook.

Zoals helaas vaker het geval is, worden ook hier algemeen aanvaarde theoretische inzichten nog niet op grote schaal naar de praktijk vertaald. In het technologiebeleid overheerst nog sterk een instrumentalistische benadering. De maatschappelijke effecten van technologie komen er nauwelijks aan bod.

Datzelfde geldt voor het milieubeleid. De inzet van technologie om milieuproblemen op te lossen, wordt hier doorgaans rigoreus gescheiden van de ook in het beleid gewenste gedragsveranderingen en maatschappelijke trendbreuken. In het beleid lijkt het of technologie hier niets mee te maken heeft.

Op het op 14 februari georganiseerde Nationale Duurzaamheidsdebat 'De technologische confrontatie' drukte minister De Boer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) deze dichotomie op exemplarische wijze in getallen uit. Zij beleed er een groot geloof in de bijdrage die technologie aan een duurzame samenleving kan leveren.

De noodzakelijke veranderingen om duurzaamheid te realiseren, konden volgens haar voor zestig procent met behulp van de huidige technologie worden bereikt, terwijl toekomstige technologische ontwikkelingen voor nog eens twintig procent hieraan zouden kunnen bijdragen. De overige twintig procent dient voor rekening van mens (gedragsverandering) en maatschappij (volumebeleid) te komen.

Tijdens het debat bestreden de tegenspelers van de minister haar getallen. De beperkte instrumentalistische visie op technologie werd ook door hen echter impliciet aanvaard. Milieuhoogleraar Lucas Reijnders meende bijvoorbeeld dat hooguit twintig procent van de veranderingen langs technologische weg bereikt kan worden. Vanuit deze inschatting viel dan ook zijn felle oproep aan de milieubeweging om tot radicale actie over te gaan, te verklaren. Dat de inzet van technologie mens en maatschappij soms sterker verandert dan alle mogelijke acties bij elkaar, werd ook door hem veronachtzaamd.

Al bij de voorbereiding van het genoemde duurzaamheidsdebat stonden techniek-optimisten en techniek-pessimisten scherp tegenover elkaar. In een workshop werden in relatie tot de mondiale welvaartsverdeling twee stellingen voor het debat geformuleerd.

Ten eerste: 'Een te grote nadruk op technologische oplossingen draagt bij aan het in stand houden van de traditionele Noord/Zuid-tegenstelling. De discussie over aanpassing wordt uit de weg gegaan als vertrouwd wordt op de technologische vooruitgang.'

Ten tweede: 'Gezien de dominantie van het geloof in economische vooruitgang en de onwil in Noord en Zuid de huidige consumptie op te geven, moet vertrouwd en ingezet worden op de technologische oplossing.'

Beide stellingen zijn, net als met de posities van De Boer en Reijnders, elkaars spiegelbeeld. Technologie wordt in beide gevallen volstrekt los van menselijk (consumptie)gedrag en (economische) maatschappelijke verhoudingen beschouwd. Oog in oog met dit onvruchtbare absolute onderscheid zoals dat in het milieubeleid, maar heus niet alleen daar, tot uitdrukking komt, loont het de moeite om het Baconiaanse inzicht over de werkelijkheidsveranderende kracht van apparaten en technische systemen kort uit te werken.

Hedendaagse theoretici hebben twee uitdagende metaforen ontwikkeld om de rol van technologie in de moderne samenleving te begrijpen. Ze hebben het zowel over het script van technologie als over apparaten die actief als actor functioneren. Beide metaforen botsen met onze common-sense-opvatting over techniek die wij als instrument zouden kunnen inzetten en beheersen.

De eerste suggereert dat een apparaat ons tot bepaald gedrag kan uitnodigen, het zelfs min of meer dwingend kan voorschrijven. De tweede strijkt ons nog meer tegen de haren in, door - overigens net als Bacon deed - in het netwerk van de moderne samenleving naast mensen ook aan dingen een handelende rol toe te kennen.

Beide metaforen kunnen vruchtbaar gehanteerd worden om de gewraakte tegenstelling tussen de inzet van technologie en de verandering van mens en maatschappij uit de weg te ruimen of tenminste te verzachten. Enkele concrete voorbeelden, allereerst vanuit de 'script'-benadering, kunnen dit verduidelijken.

In het produktenbeleid zoals dat door de ministeries van Economische Zaken en VROM wordt ontwikkeld is het steeds meer gebruikelijk de milieubelasting van produkten via zogenaamde Levens Cyclus Analyses (LCA's) te vergelijken. Melkflessen worden tegen kartonnen pakken afgewogen, plastic bekers tegen porseleinen koppen. Steeds wordt gepoogd om uit te rekenen hoeveel milieubelasting een produkt van de wieg tot het graf, van de vervaardiging via het gebruik tot en met de afvalfase, met zich meebrengt.

In de LCA's worden produkten zuiver instrumenteel bekeken. Ze worden steeds geacht dezelfde behoeften te vervullen. Dat zij ook nog een script kunnen hebben, dat zij hun gebruikers tot een bepaald soort gedrag kunnen brengen, wordt veronachtzaamd. Toch is dit duidelijk het geval. Het plastic koffiebekertje vertelt ons dat wij in een wegwerpmaatschappij leven, het porseleinen kopje verbindt ons op duurzame wijze met de dingen.

Een ander voorbeeld, ditmaal direct op het gebied van milieutechnologie, laat het script van produkten nog duidelijker uitkomen. Enkele weken geleden demonstreerde Saab het prototype van een verrassend schone benzine-auto. Als de auto start gaan de uitlaatgassen eerst naar een grote doorzichtige plastic zak onder de laadvloer in de kofferbak. De zak vult zich langzaam tot de computer een signaal ontvangt dat de katalysator, die pas optimaal werkt bij ongeveer 500 graden Celsius, op temperatuur is. Dan worden de verzamelde uitlaatgassen opnieuw naar de motor toegevoerd om door de katalysator gereinigd te worden.

Qua uitstoot voldoet deze auto aan de strengste Californische normen die na de eeuwwisseling van kracht zullen worden en waarvan men sinds kort aannam dat zij alleen door elektrische auto's konden worden gehaald. Als instrument waarvan de milieubelasting gemeten wordt is deze benzine-auto gelijk aan de elektrische auto. Het script van beide is echter voorlopig totaal verschillend.

Net als de katalysator zelf nodigt de nieuwe techniek zijn gebruikers uit om hun mobiliteitspatroon voort te blijven zetten. Van elektrische auto's is daarentegen bekend dat zij de gebruikers van prototypen ertoe brengen om op een andere manier naar tijd, ruimte en mobiliteit te kijken. De noodzaak om de accu regelmatig op te laden dwingt hun om hun verplaatsingen zorgvuldig te plannen en te overwegen.

De idee van een script van apparaten is contra-intuïtief voor de moderne mens, die graag een absoluut onderscheid maakt tussen teksten die betekenis hebben, die tot ons spreken en dingen die stom zijn, die hoogstens via ons betekenis ontvangen. Dat dingen actoren zouden zijn, dat zij in de moderne netwerken en systemen, handelende kracht kunnen krijgen, lijkt ons nog ongerijmder toe. Al eeuwenlang hebben wij geleerd scherp te onderscheiden tussen mens en ding, tussen subject en object. De middeleeuwen waarin aan dingen soms menselijke eigenschappen werden toegeschreven, liggen tenslotte ver achter ons.

Toen ik in navolging van de Franse socioloog Latour dan ook recent in een aantal publikaties sprak over 'de moralisering van apparaten' heb ik dat geweten. Hoon was mijn deel toen ik suggereerde dat wij de moraal niet alleen bij mensen maar ook bij dingen moesten zoeken.

Latours beroemde voorbeeld is dat van de autogordel. Omdat bestuurders deze vaak niet uit zichzelf aangespen, worden zij via dashboard-signalen hierop aangesproken. Zelfs is overwogen om een auto te ontwerpen waarvan de motor niet start als de gordel niet vastgegespt is. Het apparaat nodigt of dwingt de gebruiker om zich veilig te gedragen. De waarde 'veiligheid' blijkt hier niet zozeer in de mens als in het apparaat te zijn verinnerlijkt.

Juist de digitale revolutie laat scherp uitkomen hoe technologie in feite al lange tijd als actor werkzaam is. We aarzelen tenslotte niet om te spreken over 'de intelligente woning' of 'de denkende keuken'. In de wetenschapsbijlage van NRC HANDELSBLAD (28 maart) werd in dit verband onlangs het project 'Dingen die denken' van het Media Lab van het Massachussets Institute of Technology uit Boston besproken. Een voorbeeld: 'Stel, je komt thuis. De deurknop herkent je en doet automatisch open. De lichten gaan aan. De stereoinstallatie, die merkt dat je enige ontspanning kunt gebruiken, speelt je favoriete Mozartsonate. Je schoenen zuigen via het tapijt het laatste nieuws op, dat wordt geprojecteerd op de glazen van je bril.'

Apparaten die over enige intelligentie zouden beschikken, zouden, aldus de inzet van het project, ons leven een stuk behaaglijker en plezieriger kunnen maken. Wie nu nog zichzelf de schuld geeft omdat hij tijdens een onverwacht telefoongesprek zijn eten laat aanbranden, kan dat in het vervolg de pan verwijten. Die had het fornuis uit moeten zetten.

Om nog eenmaal de auto en het verkeer als voorbeeld op te voeren: hier is de intelligente snelheidsbegrenzer te verwachten. Ingebouwd in elke auto zou deze kunnen reageren op sensoren in het wegdek om zo de gewenste snelheid in elke verkeerssituatie dwingend op te leggen.

Het laatste voorbeeld laat de vragen die hier rijzen scherp uitkomen. Orwells 'Big Brother' en Huxley's Brave new world worden vaak opgevoerd als afgrijselijke voorbeelden van maatschappijen waarin het menselijk gedrag door apparatuur en technische systemen wordt gestuurd. Deze spookbeelden uit de utopisch/dystopische traditie onderstrepen echter alleen hoe belangrijk het is om onze techniek te moraliseren vanuit algemeen aanvaarde maatschappelijke waarden. Ze kunnen geen pleidooi zijn om deze richting niet in te slaan.

Zoals gezegd is de techniek al op allerlei wijzen als script of actor gemoraliseerd. Als we hiervoor oog krijgen kunnen wij er, op bewuste wijze gedragsveranderend beleid mee vorm gaan geven in plaats van er onbewust door bepaald te worden.

Tot op heden was milieutechnologie vooral een poging om dingen beter, dat wil zeggen duurzamer, te maken. Let's make things better. Misschien moeten we de dingen uit deze reclameleus personaliseren. Niet alleen mensen maar ook dingen zouden moreel beter moeten worden gemaakt.

In het milieubeleid zou een waarde als duurzaamheid niet alleen in mensen, maar ook in dingen dienen te worden verinnerlijkt. Voor een waarde als veiligheid vinden we dit al vanzelfsprekend. Als mensen zelf in hun gedrag niet met veiligheid rekening houden, doen de dingen dat voor hen. Dat moet voor duurzaamheid ook mogelijk zijn.

Natuurlijk, er zal veel creativiteit nodig zijn 'to make things better' in deze zin.