Rampbestrijding kwestie van goede afspraken maken

AMSTERDAM, 23 APRIL. Ramptoerisme is geen Nederlands verschijnsel. In Botswana was men al gewend aan epidemieën, veeziekten, droogte en bosbranden, zegt rampenbestrijder A. Mathaku uit Botswana. Toen het land in 1985 opeens met overstromingen te maken kreeg togen de stedelingen massaal naar de rivieren om dit mirakel te aanschouwen. “Een groot deel van de slachtoffers bestond uit nieuwsgierigen die verdronken”, zegt Mathaku.

Zo onvoorspelbaar zijn de meeste rampen niet. J. Huelgas uit de Filippijnen somt droog zijn rampenkalender van de laatste jaren op. In 1990 een verwoestende aardbeving in Banguio City, in 1991 en 1994 uitbarstingen van de vulkaan Pinatubo, voorts de gebruikelijke tyfoons en vloedgolven: 28 bijvoorbeeld in 1995. Rampen zijn een way of life in zijn land. Ze komen en gaan, en dat men zich erop kan voorbereiden is een notie die pas recentelijk is doorgedrongen.

Gisteren begon in de Amsterdamse RAI een tweede internationale conferentie over rampenbestrijding, waar lokale autoriteiten ervaringen kunnen uitwisselen. In de zalen wordt gedebatteerd over overstromingen, droogte, stormen, aardbevingen, chemische en nuclaire rampen, milieurampen, transportongevallen en 'combinatierampen'. Tijdens de lunch wisselen specialisten hun ervaringen uit aan een speciaal daartoe bestemde overstromingstafel of nucleaire tafel.

Op de plenaire sessie spreekt ex-burgemeester Van Thijn van Amsterdam 's ochtends over de Bijlmerramp van oktober 1992 en zijn 'meelevende overheid'. 's Middags volgt burgemeester Sasayama van Kobe, wiens stad nog altijd niet bekomen is van de aardbeving van januari 1995. Sasayama heeft de les geleerd die in vele toonaarden wordt herhaald. Centralisme kan een vijand zijn van de rampenbestrijding, zelfredzaamheid moet gestimuleerd worden. Vanuit zijn crisiscentrum kon Sasayama commanderen wat hij wilde, maar de telefoon werkte niet en de wegen waren verwoest of verstopt door vluchtende burgers. De brandweercolonnes werden op weg naar de vuurhaarden uitgedund door groepen bewoners die om hulp vroegen bij de berging van familieleden. En kwamen ze ter plaatse, dan was er meestal geen water om te blussen.

Rampenbestrijding is een kwestie van goede afspraken, het aanleggen van voorraden en van draaiboeken. Planning, coördinatie, oefeningen, communicatie, flexibiliteit en duidelijke hiërarchische lijnen zijn daarbij de kernwoorden. “En de burgemeester is de baas”, meende L. Frissen, burgemeester van de Limburgse gemeente Arcen en Velden. “Lange discussies zijn de doodsvijand van de rampenbestrijding.”

Frissen is sinds juli 1994 burgemeester in Arcen. De reactie van zijn voorganger op de overstroming van 1993 was voor een lokale autoriteit niet ongewoon, maar wel afkeurenswaardig: hij sloeg op de vlucht. Daarna trad volgens Frissen in Arcen de wet van Murphy in werking: alles wat fout kon gaan ging ook fout. Flexibiliteit is daarom op zijn plaats. Wie volgens het draaiboek de leider van de rampenbestrijding is blijkt dat soms in het echt niet te zijn.

Aan de media wordt vandaag nog een aparte werkgroep besteed. Want die zijn bij een ramp even lastig als nuttig. De Rotterdamse burgemeester Peper beklaagde zich na de chemische brand in de CMI-loods over zijn 'oorlog op twee fronten': de rampenbestrijding coördineren en de pers te woord staan. Toch zijn de media een onmisbaar communicatiemiddel richting bevolking. Aardig was daarom te zien hoe in de speech van burgemeester Sasayama van Kobe een alinea op het laatste moment was aangepast. De zinsnede: “Ik gelastte een zo wijd mogelijk gebruik van radio en tv” werd tactisch veranderd in: “Uit ervaring weet ik dat het nodig is overeenkomsten te sluiten met radio, tv en andere media.” Want dat soort zaken ligt gevoelig.