Mijn god

Hij was nog maar op de trap, mijn schaakvriend, toen hij gewoontegetrouw snel ter zake kwam.

- “Ha gezellig, een schaakje zetten. Zeg, bij jullie is het toch niet zo dat als je een week niet langs geweest bent en je belt aan, dat jullie dan opeens katholiek geworden zijn? Het heerst overal verschrikkelijk en ook op plekken waar je het niet verwacht. Alsof heel Nederland zichzelf tot een museumpje voor oude waarden en tradities aan het vertimmeren is. Nou, mij is het mooie atheïsme oud genoeg.“

Hij pakte de taartjes van de hofleverancier uit. Wekelijks ritueel. Evenzo dat we altijd beginnen met een kleine theologische discussie voor we bord en stukken pakken. Daar gingen we weer, ik was aan de beurt.

- “De atheïsten verlaten het schip dat ze zelf lek geboord hebben. Persoonlijk dacht ik er overigens eerder over om protestant te worden. Het katholicisme is me wat te exotisch. Hoewel dat natuurlijk ook wel aantrekkelijk is. 'Wend u tot vreemde Goden, die geven je consult buiten het algemene spreekuur.' Maar ik wil mijn kaaskopschap niet verloochenen. Hollandse waar, ook op geestelijk gebied. Psalmen zingen lijkt me heel aantrekkelijk.“

- “Ik dacht het al van je. Typische fellow-traveller van de religie, waar ik die nieuwe bekeerlingen trouwens allemaal een beetje van verdenk. Niet echt geloven, maar verrukt van de bijverschijnselen van het christendom. Bach, de kathedralen, de processies. Een beetje de gelovige spelen, dat doen ze, zoals kinderen doktertje spelen. Moderne mensen die voortdurend achter nieuwe modes aanrennen. Nu is de oude traditie even de nieuwste mode. Benieuwd wat we straks weer krijgen.“

- “Moeilijk te zeggen wat bijverschijnselen zijn en wat de essentie is. Ik ben geneigd om een grote religie als een Gesammtkunstwerk op te vatten. Een totaalpakket waarin Bach even essentieel is als de Bijbel.

- “En wat brandstapels op het toneel als decorstukken voor dat grote kunstwerk?“

O nee toch, niet dat gezeur weer over de inquisitie, alsof er sindsdien alleen onschuldige kinderen in de wereld hebben rondgelopen. Wacht, ik zal eens uit een ander vaatje tappen.

- “Je hebt gelijk dat ik een beetje dubbelhartig ben. Neem het maar niet zo ernstig. Ik was namelijk net voor je aanbelde tot de conclusie gekomen dat ikzelf God ben.“

- “Gelukkig, zo ken ik je weer. Vertel.“

- “Je weet dat Goethe tot de conclusie kwam dat hij in een voortbestaan na de dood moest geloven, omdat het idee dat je zelf niet meer bestaat letterlijk onvoorstelbaar is?“

- “Maar wat je je niet voor kunt stellen, kan nog wel de waarheid zijn.“

- “Zeker, dat kan. Maar wat niet kan, is iets onvoorstelbaar vinden, en er toch in geloven. Van Goethe leren we, dat dat een intellectuele zwendel zou zijn. Een vorm van zwendel waar ik me lang aan heb overgegeven, zoals bijna iedereen.“

- “Als Goethe dacht dat hij onsterfelijk was, moet jij dan denken dat je God bent?“

- “Wacht even. Ik was laatst op een computerschaaktoernooi. Er werd weer veel over kunstmatige intelligentie gesproken. De computerlui denken dat intelligentie en bewustzijn niet afhankelijk zijn van het materiaal waaruit het al of niet kunstmatig brein bestaat. Het kan hersenweefsel zijn, maar ook computerchips. Het gaat om de organisatie. Douglas Hofstadter beweerde dat een systeem dat alleen bestaat uit poortjes die open en dicht kunnen, en daardoor een waterstroom doorlaten of tegenhouden, ook bewustzijn zou kunnen ontwikkelen, als het maar groot genoeg was. Het zou wel erg groot moeten zijn, maar het gaat hem om het principe. Nu is het natuurlijk volstrekt onvoorstelbaar dat zo'n waterwerk bewustzijn heeft. Niemand kan daar in geloven. De voorvechters van de kunstmatige intelligentie zullen daar tegen in brengen dat het even onvoorstelbaar is dat onze hersenen bewustzijn hebben. Ze hebben gelijk, maar ze trekken er de verkeerde conclusie uit. Het is inderdaad onvoorstelbaar dat wij denken met onze hersenen. Een blik op een slagerstoonbank is voldoende om dat in te zien. Kan dat kledderige orgaanvlees tot bewustzijn komen als je er een paar stroomstoten doorheen stuurt? De wetenschap klampt zich wanhopig vast aan het absurde dogma dat het mogelijk moet zijn, ook al is het ondenkbaar. Van Goethe leerde ik, dat het wetenschappelijk verraad is om te geloven aan het onvoorstelbare. En zodra ik van dat geloof verlost was, werd mij de volstrekte dwaasheid duidelijk van de hypothese 'ik denk met mijn hersenen'. Hypothese die zowel onverifieerbaar is als onfalsificeerbaar. Verificatie is principieel onmogelijk. Nooit zal iemand kunnen concluderen dat hij inderdaad niet meer denkt omdat hij geen hersenen meer heeft. Falsificatie lijkt op het eerste gezicht in principe wel mogelijk: ik laat mijn hersenen weghalen, merk dat alles gewoon doorgaat en trek dus de conclusie dat de hypothese 'ik denk met mijn hersenen' weerlegd is. Maar die conclusie zou ik in werkelijkheid helemaal niet trekken. Ik zou eerder denken dat ik droomde, of gek was, of dat de hele wereld een zinsbegoocheling was. Nooit zal iemand bevestigd of weerlegd kunnen zien dat hij met zijn hersenen denkt. Het is dus een inhoudsloze stelling. Zinloos metaphysisch gebrabbel. Ik denk niet met mijn hersenen. Ik heb trouwens geen enkele goede grond om aan te nemen dat ik hersenen heb. En omdat de ziel ook niet in de grote teen zal zitten, is de conclusie onontkoombaar dat mijn gedachten geen materiële drager hebben en autonoom zijn. Pure geest. Schepper van het universum. Van mijn zogenaamde 'ik'. Schepper van jou. God.“

Het was een lange toespraak geweest. Ik zag dat mijn vriend intussen een schaakboek met 2545 eindspelstudies ter hand had genomen, maar hij bleek het betoog wel degelijk gevolgd te hebben.

- “Het gekkenhuis van de filosofie heeft gelukkig nog vreemdere kostgangers dan dat van de religie. Het moet een schok zijn als je voor het eerst beseft dat je alleen op de wereld bent. Speelt God met wit of zullen we loten? Bij mij zit alleen maar zaagsel daarboven, dus het is eindelijk een eerlijke strijd.“

    • Hans Ree