Lief dagboek

Beatrijs Nolet, Ravia's dagboek. Tegenwind. Uitg. Van Holkema en Warendorf, vanaf 12 jaar, 144 blz., ƒ 27,50.

'Het is gek, maar hoe minder ze op me let hoe aardiger ik haar vind', schrijft de dertienjarige Ravia over haar moeder in haar dagboek. Het zal voor iedereen die dertien is of is geweest herkenbaar zijn. Ouders moeten zich vooral niet met je bemoeien, of althans opmerkingen als 'je moet naar bed' en 'eet je wel genoeg?' voor zich houden. En helemaal erg is natuurlijk een moeder die 'plotseling tot de ontdekking is gekomen dat we een gezin (zijn)' en daarom een 'gezellige' gezamenlijke fietstocht organiseert.

Beatrijs Nolet die Ravia's dagboek. Tegenwind schreef lijkt zich het dertienjarige levensgevoel haarscherp te herinneren. Wat Ravia overkomt is misschien allesbehalve spectaculair, maar toch boeit dit dagboek van begin tot eind en is het om te lachen (hardop). Nolet beschreef het doen en laten van Ravia zoals Sue Townsend dat van Adrian Mole, zonder in geforceerd jongerenjargon te vervallen (op een enkel 'tof' na), maar wel vlot leesbaar. De stijl van dit 'dagboek' is volwassen en is toch is de toon duidelijk die van een dertienjarige. Dat geldt ook voor de beeldspraak: over haar moeder die komt kijken wat Ravia te zoeken heeft op zolder staat er: 'Haar hoofd stak als een poppenkastpop uit het donkere trapgat (-).'

De kwaliteit van Ravia's dagboek is verrassend, want het omslag is zo lelijk en nietszeggend dat er geen enkele aanleiding lijkt te bestaan het boek te gaan lezen. Het is een algemene kwaal: het grootste deel van de boeken voor kinderen van boven de twaalf is niet om aan te zien. Waarschijnlijk zijn uitgevers erop bedacht vooral geen kinderachtige illustratie te kiezen en viert een griezelig realisme daarom hoogtij.

Zo sloom als het meisje Ravia op de omslagillustratie van Raymond van Aalst mag lijken, zo sprankelend is zij in het boek. Alleen het begin van het dagboek, de eerste halve pagina, klinkt gek genoeg bedacht en gekunsteld. Ravia realiseert zich dat als iemand op school zou weten dat ze een dagboek schreef dat 'als een lopend vuurtje' de ronde zou doen. Later gebruikt ze nooit meer zo'n voor dertienjarigen wat truttige uitdrukking.

Ravia schrijft een dagboek omdat haar vriendin Lidian geen tijd meer voor haar heeft. Van de ene op de andere dag is Lidian geobsedeerd door haar uiterlijk en zomaar opeens vreselijk verliefd op Onno, een klasgenoot die ze altijd een aansteller vonden. 'Als Lidian zo nodig gearmd met Onno door het leven wilde, dan moest zij dat zelf weten', schrijft Ravia stoer, maar ze vergaat van de jaloezie en begrijpt er uitdrukkelijk niets van, ook niet als ze ontdekt dat Onno eigenlijk best aardig is.

Ravia tobt wel, maar ze is geen doorsnee pukkelige, ongelukkige puber. Vaak is ze best tevreden. Ze is niet impopulair en leidt zelfs het schooltoneelstuk. Wel is ze bang dat ze Lidian misschien nooit meer terugkrijgt.

Soms is ze onzeker en vindt zichzelf lelijk, maar dat duurt nooit lang. Ze staat vaak verbaasd van zichzelf. En als tante Sofia heeft gebeld, met wie haar ouders in onmin leven sinds ze een keer dronken op schoot bij Ravia's vader klom, geeft Ravia een merkwaardig antwoord op de vraag hoe oud ze nu is: 'Ik (ging) me plotseling (-) klein voelen. 'Zeven', hoorde ik mijzelf fluisteren. Waarom zei ik dat in 's hemelsnaam? Dat getal kwam zomaar uit mijn mond rollen zonder dat ik er inspraak in had. Ik kon nou toch niet opeens zeggen dat ik me vergiste? (-) Ik wilde tante Sofia nooit meer zien.' Natuurlijk komt de tante prompt op de verjaardag van haar moeder: 'Het kleinste en kinderachtigste jurkje trok ik aan. Ik deed ook een strikje in mijn haar.' Als de tante vervolgens niet de 'verbaasde gilletjes' slaakt die Ravia verwacht wanneer ze onthult in de brugklas te zitten, is ze vooral boos. Luistert er eigenlijk ooit wel iemand?