Een grote vanzelfsprekendheid

Oscar, 56 jaar, zakenman

Sinds 1951 bevriend met Hugo.

“We waren tien, of elf. Ik kwam van een dorp, van zo'n lagere school die niet gericht was op de toekomst, en ging voor het eerst naar een nieuwe vijfde klas in de naburige stad. Daar werd mijn aandacht getrokken door een fenomeen: een jongen met een bril, die op de fiets werd gebracht door zijn moeder. Hij was astmatisch. Dat heeft een grote rol gespeeld in de vriendschap: het gaf hem iets kwetsbaars, hij moest veel thuis blijven. Zijn oudere broers hadden ook astma; in dat gezin heerste een leescultuur. We vonden elkaar door het boek, letters, lezen. Ik ging al gauw bij hem 'spelen', hij was iets ouder dan ik, maar veel wijzer, hij had meer gelezen. Het was wederzijds, er was meteen een aantrekkingskracht.

“We zijn vanaf dat moment eigenlijk altijd bij elkaar gebleven. We deden samen toelatingsexamen voor de middelbare school. Daarna kwam er voor het eerst een splitsing. Hij ging alpha, ik bèta. Dat was voor mij een drama, maar mijn vader, een echte bèta, was onverbiddelijk.

“Vijfenveertig jaar kennen we elkaar nu, dat is heel lang. Er is niemand die ik zo goed ken, bij wie ik zo dicht sta, als bij Hugo. Bij mij thuis was ik de oudste van zes kinderen, dan heb je een rol te spelen. In onze vriendschap hoefde dat niet, niemand was sterker.

“We waren absoluut open over alles, we spraken over alle onzekerheden die we ondervonden. Over alles wat er gebeurt in de puberteit: weken, jaren, hebben we het gehad over meisjes, over vrouwen, de liefde, over seksualiteit, vanuit de religieuze achtergrond die we beiden hadden. Open, maar analytisch, deden we dat, bijna abstract. En we spraken over wat we wilden worden, over onze idealen. Op de middelbare school was dat allemaal heel intens en dat is het gebleven. Ook toen we gingen werken en toen we gingen trouwen. We waren relatief jong, en we kregen dezelfde soort problemen. Die konden we delen. Hij had wat meer moeite met zijn emoties, ik reageer wat meer primair emotioneel. Pas veel later is iets van die intimiteit verdwenen, zo'n vijftien jaar geleden, toen Hugo zijn tweede vrouw ontmoette en met haar trouwde. Het leek niet meer zo nodig.

“Het waardeoordeel van de ander was altijd belangrijk, juist vanuit onze onzekerheden. Nieuwe liefdes werden altijd meteen aan de ander voorgesteld. We hadden een enorme gemeenschappelijke belangstelling: de letteren, het schrijven (we schreven alle twee); op de middelbare school gingen we alletwee op in de literatuur. We zaten in afgelegen cafés, we organiseerden literaire bijeenkomsten, op feestjes met druipkaarsen en slechte wijn, we zaten eindeloos te 'bomen'. Hugo en ik speelden vaak toneel, dan was hij de oudere vorst, de wijze ziener, en ik de jonge minnaar, de prinsenzoon. Later maakten we samen radio- en tv-programma's en cabaretteksten.

“Zonder dat we het bedoelden heeft dat allemaal een grote rol gespeeld in wat we later zijn gaan doen; we zitten in dezelfde wereld van de communicatie en houden ons bezig met organisaties en hoe mensen reageren. Onze eerste vrouwen hebben we door elkaar leren kennen, we hadden toen een kring van gemeenschappelijke vriendjes. Later kregen we ook ieder een eigen circuit.

“Ik ben nog op kostschool geweest en heb in het buitenland gestudeerd. Dat deed aan de vriendschap niet af: we schreven, dat is een vitaal deel van mijn leven, die stapel brieven. Het waren buitengewoon zware brieven, over álles, met als kern: wat wil je doen in het leven. Ik was toen idealistischer, hij realistischer en praktischer. Ik verweet 'm wel een mate van burgerlijkheid, wat hij niet was. Hij was voorzichtiger. Ik was meer zwart-wit, of liep wat vooruit op dingen.

“Dat treft me nu zo, want tot op de dag van vandaag is hij altijd maar doorgegroeid, alleen maar wijzer geworden. In de zin van beschouwend, relativerend, maar wel betrokken. Daar ben ik wel eens jaloers op. Ik ben veel idealen kwijtgeraakt; de praktijk van het leven heeft mij redelijk aangepast gemaakt. Hugo is qua natuur meer een consilieri. In praktische dingen is hij niet zo goed, daar ben ik goed in geworden, ik ben meer de zakenman. Hij dacht altijd dat ik de schrijver zou worden, maar hij is dat meer dan ik. Vroeger lag dat andersom.

“Er zijn wel periodes van stilte tussen ons geweest. Momenten dat we het niet eens waren. Hij was uitgesproken links, daar kon ik me niet in vinden. Hij vond mij te rechtsig. Dat heeft een jaar of drie geduurd.

“Tot voor zeer kort heb ik hem nodig gehad. Ik heb wat radicaler en onstuimiger geleefd. Ontelbare keren had ik het gevoel: ik móet naar Huug. Midden in de nacht, dan móest ik praten. Ik was altijd welkom, het kon altijd. Hij had mij na zijn tweede huwelijk niet meer zo nodig; daar was ik niet jaloers om, ik constateerde het.

“Het laatste half jaar is dat allemaal actueel geworden, omdat hij aan het sterven is. Ik was een van de eersten die op de hoogte waren, als vanzelfsprekend. Ik had hem de laatste jaren wat minder gezien, nu ben ik er weer, moet ik er weer zijn. Ik heb het daar heel erg moeilijk mee gehad: de meest dierbare, intieme mens in mijn leven die doodgaat. Nu ben ik er rustiger onder; dat komt door hem, door de manier waarop hij met de naderende dood omgaat. Hij heeft het geaccepteerd en het verdriet z'n plaats gegeven.

“Alle vervelende dingen zijn geregeld, ik heb daar een rol in. Nu gaat hij door met intensief leven. Ik zie hem nu veel; ik zou hem wel elke dag willen zien, maar zomaar naar hem toe, dat kan niet meer. Het is zeer inspirerend hoe hij ermee omgaat, het is zo verwerkt. We hoeven er ook niet meer over te praten; ik vraag hoe voel je je, en dan gaan we over tot de orde van de dag. Hij is nieuwsgierig, geïnteresseerd in wat ik doe, en hij leest. Hij neemt weer een voorsprong in het lezen.

“Hij vindt het erg dat hij niet kan meemaken wat ik de komende jaren ga doen, dat hij het einde van de film niet meemaakt. Alles wat iedereen meemaakt, scheidingen, kinderen, carrières, de hele eigen ontwikkeling - dat hebben we allemaal gedeeld. Hij is een vanzelfsprekendheid in mijn leven en eigenlijk is dat altijd zo geweest. Ja, ik hou van die man, ik ben absoluut dol op die man.”

    • Ite Rümke