Bamboe netwerk als supermacht

The bamboo network. How expatriate Chinese entrepeneurs are creating a new economic superpower in Asia. Door Murray Weindbaum en Samuel Hughes. The Free Press. Prijs ƒ 46,45. ISBN 0 684 82289 X.

De economische kracht van in het buitenland wonende Chinezen is een van belangrijkste, maar minst begrepen verklaringen voor de snelle economische ontwikkeling van Zuidoost-Azië. Zonder het 'bamboe netwerk' van de 55 miljoen 'overzeese' Chinezen was de economische opkomst van China, Thailand, Maleisië en Indonesië nooit zo snel gegaan.

De kracht van de 'overzeese' Chinezen is om twee redenen onbekend. Ten eerste houden de Chinezen zich verre van publiciteit. Ze geven zelden of nooit interviews en vertonen zich niet op bijeenkomsten waar veel media aanwezig zijn. Ten tweede zijn hun conglomeraten zeer ondoorzichtig georganiseerd. Ze vormen een kluwen van kleine tot zeer grote bedrijven met zeer uiteenlopende activiteiten, waarvan slechts weinige een jaarverslag publiceren. Daardoor is het lastig om inzicht te krijgen in hun zakelijke doen en laten.

Een flinke tip van de sluier wordt opgelicht in 'The bamboo network' van Murray Weidenbaum en Samuel Hughes. Weidenbaum was voorzitter van de eerste economische adviesraad van president Reagan en is nu hoogleraar aan de Washington University in St. Louis. Hughes is management consultant. De auteurs zijn geen van tweeën Azië-kenners. Dat maakt hun prestatie om enig inzicht te verschaffen in het bamboe netwerk des te indrukwekkender.

De in het buitenland wonende Chinezen hebben volgens het boek drie stadia doorgemaakt. Ze zijn eerst van lompen naar rijkdom gegroeid, hebben toen het opgebouwde familiebedrijf geïnternationaliseerd en zijn vanaf 1978 in China gaan investeren, vaak in de regio waar zijzelf of hun ouders vandaan komen.

Li Ka-shing bijvoorbeeld werkte vanaf zijn twaalfde in een plasticfabriek in Hongkong, om zijn uit China gevluchte familie te onderhouden. In 1949 zette hij met zijn spaargeld van 7.000 dollar zelf een plasticfabriek op. Nu behoort hij met een geschat vermogen van zes miljard dollar tot de rijkste mensen ter wereld.

De 'overzeese' Chinezen hebben gemeen dat ze gewend zijn om af te zien. Velen van hen hebben oorlogen meegemaakt, honger gekend en huis en haard verloren. Hun bedrijf is voor hen het anker in een onzekere, bedreigende wereld. Buitenstaanders zijn niet welkom. “Een incompetent familielid in het bedrijf is betrouwbaarder dan een competente vreemde”, zo staat in het boek.

Zo verdeelde de Hongkongse miljardair Y.K. Pao zijn zakenimperium liever onder zijn vier schoonzonen dan een goede manager aan te trekken. Eén schoonzoon was arts in China, een ander architect in Japan, de derde bankier in Sjanghai en de vierde was advocaat in Australië. Ze lieten hun praktijken in de steek en kwamen naar Hongkong om de zaak over te nemen.

De centrale rol van de familie is zowel de kracht als de zwakte van het bamboenetwerk, zo menen Weidenbaum en Hughes. Dankzij de informele netwerken worden beslissingen snel genomen en conflicten in de kiem gesmoord. Een familielid is echter niet noodzakelijkerwijs de beste manager en het uitbouwen van het bedrijf kan stuiten op organisatorische belemmeringen.

In de landen waar de Chinezen na hun vlucht uit het moederland terechtkwamen, werden ze vaak slecht bejegend. Ze mochten geen land kopen of een officieel ambt bekleden. Een eigen bedrijf oprichten was vaak de enige manier om in het levensonderhoud te voorzien. Weidenbaum en Hughes vergelijken de positie van deze Chinezen met die van de Joden in Europa en de Verenigde Staten enkele decennia geleden. Ook die bouwden succesvolle zaken op, maar raakten het wantrouwen van de niet-joodse bevolking moeilijk kwijt.

In Indonesië vormen de etnische Chinezen drie tot vier procent van de bevolking, maar ze bezitten zeventig procent van het particuliere binnenlandse kapitaal en besturen 160 van de tweehonderd grootste bedrijven.

Alleen de Salim Group van Liem Sioe Liong al neemt naar schatting vijf procent van het bruto binnenlands produkt voor haar rekening. Het kapitaal van de familie Liem - die in Nederland mede-eigenaar is van het handelshuis Hagemeyer - wordt geraamd op 4,6 miljard dollar. Liem woont echter nog steeds in zijn oude, kleine huis in een gewone buurt van Jakarta. Dat huis heeft hem geluk gebracht en daar wil hij blijven. Wel heeft hij een groot deel van de straat opgekocht om zijn familie te kunnen huisvesten.

De spaarzin en zuinigheid van deze generatie Chinezen is spreekwoordelijk. Y.C. Wang uit Taiwan, de grootste PVC-producent ter wereld, draagt alleen een nieuw pak als zijn echtgenote dat koopt en het stiekem in zijn kleerkast hangt.

In Thailand behoort de van oorsprong Chinese familie Sophonpanich - de meeste Chinezen hebben hun naam veranderd in een die in hun nieuwe vaderland gebruikelijk is - tot de rijkste met een geschat vermogen van 2,4 miljard dollar. De familie bezit tenminste een derde van de aandelen Bangkok Bank, een bank met een balanstotaal van 35 miljard dollar, die 24 procent van de Thaise spaartegoeden beheert. Bangkok Bank is de grootste bank van Zuidoost-Azië en staat bekend als een belangrijke financier van het bamboe netwerk.

De 'overzeese' Chinezen zijn goed voor tachtig procent van de buitenlandse investeringen in China. Naar schatting een kwart daarvan komt overigens uit China zelf. Het wordt via het bamboe netwerk uit China naar het buitenland gesluisd om als buitenlands kapitaal terug te keren en gebruik te maken van bijvoorbeeld belastingvoordelen en lagere invoertarieven.

Zo lang China nog de onzekere zakelijke omgeving biedt die er nu is, hebben de 'overzeese' Chinezen een enorm concurrentievoordeel boven Europeanen en Amerikanen. Zij hebben guanxi: zij kennen de juiste mensen op de juiste posten om te zorgen dat formele obstakels worden omzeild. Buitenlandse bedrijven beginnen dat te begrijpen. Daarom doen bijvoorbeeld Heineken, SHV (Makro) en Ahold zaken in Azië met mensen van wie zij weten dat ze goede netwerken hebben.

De Amerikaanse managementgoeroe Peter Drucker gaat zelfs zo ver om te beweren dat de Chinese familiebedrijven een belangrijk studie-object zullen worden voor Westerse managers. “Net zo als de Japanners erin slaagden om de moderne onderneming te veranderen in een familie denk ik dat de Chinezen en overzeese Chinezen erin zullen slagen de familie te veranderen in een moderne onderneming.”

    • Twan van de Kerkhof