Zapman

Wat me bijna nooit overkomt, ik ben in slaap gevallen voor de televisie. Rozig zeker, van de zonnestralen. Vlak na Groningen-Ajax moet het zijn gebeurd.

Ik herinner me nog een joggende carnavalsoptocht in Londen, drommen mensen kwamen op een sukkeldrafje over de Tower Bridge (BBC 2, 20.30 uur) of was ik toen al ingedommeld, heb ik dat alleen maar gedroomd? Er liep een man bij met een hoge hoed op en een zwart pak aan. Onder zijn arm droeg hij een grote ladder. Het zag er niet naar uit dat hij ver zou komen. Naast hem jogde Superman voort, maar er werd geen helpende hand uitgestoken. Mocht niet van de man met de ladder zei Superman in een draadloze microfoon. Een vrouw duwde die onder de neus van joggers die er vreemd uitzagen. Vragen stellend jogde ze een einde met ze op, hijgend gaven ze antwoord. Van de partij was ook Fred Flintstone, hij haalde zelfs de eindstreep. Daar werd hem gevraagd: “Can you put in two words how you feel having just finished the London Marathon?” Fred liet de gelegenheid niet voorbijgaan om eens flink Yaabaadaabaadoe te brullen.

Toen ben ik waarschijnlijk opnieuw weggesukkeld tot het moment waarop Jordi een doelpunt maakte (Ned. 2, 22.25 uur). Met een paar medespelers in zijn kielzog zag ik hem linea recta naar zijn vader rennen, een omhelzing volgde. Toen de achtervolgende medespelers ter plekke waren gekomen, vielen ze stil, ze wisten even niet wat ze moesten doen. Jordi samen met Cruijff om de nek vallen? Voordat ze daar uit waren, hadden vader en zoon elkaar al weer losgelaten en sprint de zoon terug naar zijn positie. Gevoelens O.K., maar wel een beetje opschieten. Toen nam vader Cruijff de voorste van de stilgevallen spelers apart en fluisterde hem enige tactische aanwijzingen in het oor. Met van die typerende gebaren erbij, alsof hij opzichter is op een containerterminal. Die container daar moet daar, deze container hier moet daar, en die container daar moet hier. Het is dat hij geen goede keeper van een slechte kan onderscheiden, anders waren ze ook dit jaar kampioen geworden.

Vanaf dat moment ben ik wakker gebleven. Ik moest denken aan mijn vader. Die ene keer dat ik hem omhelsd heb, was het net zo snel bekeken als bij de Cruijffen. We gingen meteen over tot de orde van de dag. Jaren later, op zijn sterfbed, greep hij mijn hand. Ook dat heeft maar een tel geduurd. Hij probeerde zich op te richten om iets in mijn oor te fluisteren. Een paar tactische aanwijzingen misschien, maar zover is het nooit gekomen. Hij zakte terug in de kussens en vertrokken was hij, voor altijd.

    • Hans Aarsman