Zaak-Nusse Brink 'gouden witwasconstructie' via beurs

AMSTERDAM, 22 APRIL. “Een gouden witwasconstructie via de effectenbeurs.” Zo betitelt een rechercheur van de Economische Controle Dienst (ECD) de praktijken bij het voormalige effectenkantoor Nusse Brink in een recent rapport over beursfraude van dr. A. Hoogenboom. Toch legt Justitie oud-directeuren R. Nusse en E. Brink geen witwassen, maar faillissementsfraude en verduistering ten laste.

Morgen begint in Amsterdam het proces in een strafzaak die volgde op het geruchtmakende faillissement van Nusse Brink, in de herfst van 1993. Het commissionairshuis ging bankroet door mislukte speculaties op koersdalingen van aandelen op de Amsterdamse effectenbeurs. Nadat de curator in het faillissement aangifte deed van verduistering startte Justitie een strafrechtelijk onderzoek.

Onderzoek van de recherche en de Criminele Inlichtingendienst (CID) wijst uit dat Nusse Brink cliënten had in het criminele circuit. Deze cliënten kregen stelselmatig winstgevende transacties op de beurs toegeschreven terwijl anderen voortdurend verlies leden. Met de nota's van winstgevende transacties konden (criminele) klanten de de legale herkomst van hun geld aantonen.

Verliesgevende transacties werden afgeboekt naar bijvoorbeeld Seacat, een brievenbusmaatschappij opgericht in opdracht van directeur Nusse of een rekening van Nusse Brink bij de Zwitserse bank Leu. Tekorten op de rekeningen voor verliesgevende transacties werden aangevuld met zwart geld. Op het kantoor van Nusse Brink werd volgens diverse getuigenverklaringen geld van criminele afkomst aangeleverd in vuilniszakken en plunjebalen.

In het onderzoek van Hoogenboom verschaffen medewerkers van politie en Justitie enig inzicht in de vraag waarom de verdenking van witwassen in de zaak Nusse Brink niet hard is gemaakt. Zo werd het onderzoek naar de hashhandelaar M. Vane - een cliënt van Nusse Brink die werd vermoord - en het onderzoek in de zaak Nusse Brink zèlf uitgevoerd door twee verschillende politieteams.

De samenwerking tussen deze teams liet volgens L. Plas, de officier van Justitie in de zaak Nusse Brink, te wensen over. Het Amsterdamse rechercheteam dat onderzoek deed naar de moord op Vane heeft volgens Plas financieel onderzoek gedaan dat hem nooit onder ogen is gekomen. Plas werd belast met het onderzoek in de zaak Nusse Brink toen hij nog maar drie maanden op het Amsterdamse parket werkte en was bovendien niet full-time met het onderzoek bezig: “Ik moest het doen tussen de rest door”, zegt Plas in het rapport van Hogenboom. Eén van de betrokken rechercheurs in dat rapport: “Op het moment dat de CID-informatie beschikbaar kwam hadden we het wellicht groter moeten aanpakken. Slechts twee man waren full-time bezig. Dat heeft te maken met de beperkte capaciteit.”

Plas uit voorts in het rapport zijn verbazing over het feit dat hij zo snel verantwoordelijkheid kreeg over het onderzoek, het feit dat hij dit, in tegenstelling tot andere onderzoeken, alleen moest doen en dat slechts een beperkt aantal rechercheurs daarvoor was vrijgemaakt. Tenslotte vond volgens Plas destijds niet altijd communicatie plaats tussen officieren die zich bezighouden met beursfraude.

Hoogenboom schrijft dat Justitie niet stelselmatig onderzoek heeft gedaan naar de financiële stromen in de zaak Nusse Brink. Dit heeft te maken met de capaciteit van betrokkenen: sommige transacties zijn onzichtbaar, concludeert hij.

De ECD-rechercheur die de zaak Nusse Brink omschrijft als een gouden witwasconstructie zegt deze constructie in nog twee andere gevallen te zijn tegengekomen. “Verder is een zaak bekend op de Optiebeurs die vergelijkingen kent met Nusse Brink.” De zaak Nusse Brink is tot op heden de enige waarin Justitie daadwerkelijk tot strafvervolging overgaat.

    • Michiel van Nieuwstadt