Rietvelds chauffeurswoning gerehabiliteerd - met spouwmuur

Gebouw: Chauffeurswoning, Waldeck Pyrmontkade 20, Utrecht. Architect: Gerrit Rietveld. Ontwerp en bouw: 1927-1928. Renovatie: 1989-1996. Kosten: minstens 300.000 gulden.

In 1989 zag architect Dolf de Maar een advertentie in de krant: de chauffeurswoning van Rietveld in Utrecht werd te koop aangeboden. De Maatschappij voor Diergeneeskunde had er jarenlang studenten in gehuisvest, maar het was er zo koud en tochtig, en het water liep in zulke stralen langs de muren, dat de Maatschappij dit rijksmonumentje, door de oorspronkelijke opdrachtgever meesmuilend 'het zeefje' genoemd, liever kwijt dan rijk was. Zeven jaar en veel geld later is zijn renovatie ervan, of zoals hij liever zegt de 'rehabilitatie', onlangs voltooid.

Dit huisje - beneden garage, boven een woning van zestig vierkante meter voor de chauffeur en zijn gezin - bouwde Rietveld in de jaren twintig in opdracht van de arts H. van de Vuurst de Vries. Hij verbouwde diens huis aan de Julianalaan en bouwde de garage met chauffeurswoning erachter. Rietveld was al vroeg geïnteresseerd in standaardisatie en heeft hier geëxperimenteerd met betonplaten. Dit is dan ook het eerste, of in ieder geval een van de eerste, prefab huizen in Nederland. Het stalen skelet is in een werkplaats in genummerde onderdelen gemaakt en ter plekke in elkaar gezet. Daar werden de ruim vijf centimeter dikke betonplaten tegenaan gezet en op hun plaats gehouden met metalen strippen. Volgens De Maar heeft Rietveld zich laten inspireren door Gropius' Trockenmontagebau voor de Weissenhofsiedlung, de modelwijk van het Nieuwe Bouwen dat in Stuttgart in 1927 verrees. Maar al snel bleek het huis te lekken. Nog geen twee jaar na de oplevering is er een overstekende dakrand opgezet en zijn de betonnen gevels afgedekt met een laag teer en grit.

De Maar noemt zijn ingrepen een 'rehabilitatie' omdat de chauffeurswoning volgens hem nu een getrouwere weergave is van Rietvelds oorspronkelijke bedoelingen dan toen die gebouwd werd. “Het huis had toen niet zo gelekt als Rietveld zijn eigen plan had mogen uitvoeren. Hij wilde achter de betonplaten een spouw, dat wil zeggen een tussenruimte waarin het doorslaande regenwater zou kunnen worden afgevoerd. Maar de gemeente vertrouwde het niet en eiste dat er tegen de betonplaten een gemetselde muur kwam. Het gevolg was dat het water niet weg kon en dwars door beide muren heendrong.”

Die gemetselde muur is nu weg, de spouwmuur is er gekomen, en een verzakking van drie centimeter is door nieuwe fundering ook verholpen. De laag teer kon worden verwijderd zonder het beton eronder aan te tasten. De platen werden opnieuw voorzien van een laag zwarte betonverf, en een week lang is De Maar samen met een van zijn kinderen bezig geweest de witte noppen er weer op te schilderen. “De noppen waren bedoeld om een gevoel van richting aan de rechthoekige betonplaten te geven. Zo wilde Rietveld laten zien dat ze zowel staand als liggend te gebruiken waren.”

Behalve de tekeningen bij de bouwaanvraag en een paar losse schetsen is er geen documentatie over de chauffeurswoning teruggevonden. Wel is bewaard gebleven een collage uit 1927, die in 1928 te zien was op een tentoonstelling van architectuur en beeldende kunst in het Stedelijk Museum. Daaruit bleek onder andere dat Rietveld de voordeur fel rood had willen hebben. Om onbekende redenen is die destijds blauwgrijs geworden, dezelfde kleur als de ramen - maar nu is hij alsnog rood geworden. Voor de renovatie kreeg De Maar 130.000 rijksbijdrage; de formica en de verf werden gesponsord. Daarnaast heeft hij zelf meer dan twee ton in de 'rehabilitatie' gestoken.

De Maar vermoedt dat Rietveld de bouw en de nasleep ervan zo teleurstellend vond, dat hij alles heeft vernietigd. Wèl vond De Maar een advertentie die de woedende opdrachtgever onder het sarcastische kopje 'Dankbetuiging' plaatste. Hij bedankte “voor de uitstekende raadgevingen mij gegeven om de nieuwgebouwde doch schandelijk doorsijpelende en doorlekkende garage met bovenwoning, bijgenaamd het Mandje of Zeefje, droog te maken, zoodat mijn chauffeur zonder parapluie of oliejas in zijn bed en aan zijn tafel tegen het hemelwater beschut kan worden”.

Op de collage noemde Rietveld de chauffeurswoning 'Proeve voor Industrialiseering der Bouw'; liefkozend noemt Dolf de Maar de chauffeurswoning een 'knutseldoosje'. “Dat vind ik zo sympathiek aan dit huis, dat je ziet hoe de architect zijn ideeën uitprobeert. Rietveld wilde in een stramien van één meter bouwen, maar hij kwam er niet helemaal uit. Het stramien klopt wel in de breedte, maar niet in de hoogte.” De betonnen gevelplaten lijken gestapeld, maar moesten in feite op een paar kritieke plekken, bijvoorbeeld boven de garagedeur en de achterdeur, met een onzichtbare draagconstructie worden ondersteund. “Als je de achterdeur hard dichtslaat zie je de muur nog trillen”, zegt De Maar. “Daar hebben we ook de enige scheur in het beton gevonden.”

Het oorspronkelijke interieur is in de loop der jaren verloren gegaan; toen De Maar er kwam wonen was de woning bekleed met schrootjes en van een rustiek eikenhouten keuken voorzien. Dankzij het stalen skelet kon hij de woning vrij met schuivende en draaiende panelen indelen die geïnspireerd zijn op Rietvelds ideeën. Omwille van de leefbaarheid is het huis nu geïsoleerd en hebben de ramen dubbel glas; de hal en de keuken zijn van plaats verwisseld en de trap - met nog altijd de oorspronkelijke verticale stok als leuning - maakt geen ingewikkelde S-bocht meer. Rondom het hoge daklicht heeft hij schermen van geperforeerd metaal geplaatst om de lichtinval te temperen, en in de vloer een rechthoek met melkachtig perspex gemaakt als verbintenis tussen woning en garage. In die laatste houdt hij nu kantoor, in gezelschap van een poederblauwe Buick Electra cabriolet, een heuse 'snollenbak' uit de jaren zestig - tegengif voor het ascetische experiment van Rietveld.

    • Tracy Metz