Pessimisten hebben de overhand in Israel

JERUZALEM, 22 APRIL. Heeft Israel de oorlog tegen Hezbollah verloren? Ja, zeggen hier de meeste commentatoren, die nog maar een week geleden de operatie goedkeurden. Zij denken dat Israel maximaal een opgesierde versie van de status quo ante uit de moeizame onderhandelingen voor een staakt-het-vuren kan slepen. Een grote nederlaag voor een klein land dat zich in een vijandige omgeving voortdurend sterker en machtiger moet tonen dan het in feite is.

Op militair gebied was het - zeggen zij - een miskleun van de eerste orde ervan uit te gaan dat katjoesja-raketten uitgeschakeld kunnen worden met alleen maar beschietingen en bombardementen. De Amerikanen en Britten hebben in de Golfoorlog zelfs niet alle Scud-raketten van Saddam Hussein kunnen opsporen, terwijl die veel moeilijker te verbergen zijn.

Op politiek gebied was het volgens hen een even grote miskleun te verwachten dat de Syrische president Hafez al-Assad erg onder de indruk zou zijn van Libanese verliezen die hem niet rechtstreeks bedreigen. En dus is Assad nu de winnaar. Nog maar een maand geleden was hij - hoewel niet uitgesproken om het vredesproces geen doodsteek toe te dienen - een paria, toen hij weigerde deel te nemen aan de 'Conferentie van de Vredesstichters' in Sharm el-Sjeikh, die de noodzaak van terreurbestrijding in het Midden-Oosten onderstreepte. Nu gaan de groten der aarde op pelgrimstocht naar Damascus. Zij struikelen over elkaar om Assad te smeken zijn invloed op Hezbollah aan te wenden. Assad op zijn beurt leunt achterover. Hij laat de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Warren Christopher, nòg een nachtje wachten alvorens hem te ontmoeten. En radio-Damascus bericht dat “de VS met hun steun aan de Israelische agressie een groot deel van hun geloofwaardigheid hebben verloren” - let wel: niet àl hun geloofwaardigheid.

Gisteren meldde Ha'arets, het enige nog serieuze dagblad van Israel, dat legerofficieren van de grondtroepen in het noorden ernstige beschuldigingen uiten aan het adres van de militaire inlichtingendienst. Die zou het moreel van de Hezbollah-strijders en de mogelijkheid hen op de knieën te krijgen, volstrekt verkeerd hebben beoordeeld. Zulke verwijten, naar de media uitgelekt, tonen aan dat binnen het militaire establishment thans Zwarte Piet wordt gespeeld - wat men altijd doet bij ernstige tegenslagen of een nederlaag.

Volgens niet-officiële schattingen van militaire zijde zijn immers slechts vijf tot zes katjoesja-lanceerinrichtingen uitgeschakeld en maximaal 40 tot 50 Hezbollah-strijders gedood. Dat staat in geen enkele verhouding tot de 150 à 200 Libanese burgers die werden gedood, de enorme economische verliezen voor Libanon en in mindere mate voor Israel, en het geschonden imago van Shimon Peres. Feit is dat meer dan 17.000 van de 22.000 inwoners van de Kiryat Shmona elders een veiliger heenkomen hebben gezocht. Dat zíj niet en de 400.000 Libanese burgers die een goed heenkomen zochten, wèl door de internationale publieke opinie 'vluchtelingen' worden genoemd, spreekt boekdelen. Evenals het feit dat vanochtend katjoesja-beschietingen op West-Galilea werden uitgevoerd.

Natuurlijk geeft (nog?) niemand van de Israelische regering openlijk toe dat operatie 'Druiven der gramschap' wel eens een zeer zure nasmaak kan hebben. Aan de vooravond van de viering van Israels 48ste verjaardag, na de zelfmoordaanslagen van Hamas en voor de verkiezingen is premier Peres aan zichzelf verplicht geen krimp te geven, of althans te doen alsof. Vandaar, dat de regering onderstreept dat zij geen staakt-het-vuren wil zonder harde en geschreven afspraken met Syrië, dat de facto de gang van zaken in Libanon bepaalt. Te vaak werd hier immers de afgelopen dagen de uitspraak herhaald van wijlen premier Rabin: “Wie het eerst om een wapenstilstand vraagt, heeft de oorlog verloren.” Maar de Israelische media berichten nu al dat Peres bij zijn aanstaand bezoek aan Washington zeker geen koninklijk onthaal zal krijgen, omdat ook de regering-Clinton niet erg blij zou zijn met zijn miscalculaties.

Hoe beroerd de stemming is, blijkt uit de reactie van één van de Israelische deelnemers aan de onderhandelingen over een bestand. Op de vraag “Hoe gaat het?”, antwoordde hij: “Prima. Sinds donderdag (de dag van de Israelische beschieting van Qana, waarbij circa 100 Libanese burgers werden gedood) denk ik maar steeds dat het nog véél slechter zou kunnen gaan. En zie: we hebben er niet óók nog een aardbeving bij gehad.”

De eeuwige optimisten zijn minder ontmoedigd. Eén van hen, een kolonel buiten dienst, aanhanger van Shimon Peres, in overheidsdienst en dus anoniem, zegt dat het te vroeg is nu al een eindoordeel te vellen. “Het hangt ervan af welke doelen je stelde. Wie veel van de operatie verwachtte, zoals minister van buitenlandse zaken Ehud Barak, komt natuurlijk bedrogen uit. Hij wilde een scherpere definitie van de niet op schrift gestelde afspraken van juli 1993. Volgens de afspraken van toen werd de 'veiligheidszone' in Zuid-Libanon tot een afgesloten boksring verklaard, waarin Hezbollah en wij elkaar konden bestrijden. Barak hoopte tien dagen geleden dat wij die afspraken zó zouden kunnen veranderen, dat we niet langer binnen èn van buiten de zone zouden worden aangevallen. Hij dacht ook dat wij de Libanese regering en Assad onder druk konden zetten om Hezbollah in te tomen. Niet voor altijd, maar voor een poosje. Zoals in juli 1993. Wie minder ambitieuze verwachtingen had, zoals Yossi Beilin, één van Peres' belangrijkste adviseurs, is niet zo gefrustreerd. Zondag, een week geleden, verklaarde de secretaris van de ministerraad na afloop van het kabinetsberaad dat wij met schieten zouden ophouden, als Hezbollah dat zou doen. Dat is wat Beilin bedoelde en waarover nu wordt onderhandeld. Shimon Peres staat ergens in het midden tussen Barak en Beilin.”

Deze ex-kolonel is daarom niet ongelukkig met de gang van zaken omdat de 'veiligheidszone' nu een punt van discussie gaat worden in de Israelische politiek. Die zone werd in 1978 ingesteld om infiltraties van terroristen tegen te gaan. “Maar zij biedt onvoldoende ruimte om ons tegen katjoesja-beschietingen te beschermen. Dan zouden wij een veel groter gebied in Zuid-Libanon tot bufferzone moeten uitroepen - precies datgene waarvoor Arik Sharon pleit (de vroegere minister van defensie en nu één van de top-leiders binnen de Likud-partij). Sharon heeft vanuit militair oogpunt volkomen gelijk. Maar vanuit politiek oogpunt betekent zijn voorstel dat wij nog eens 100- tot 200.000 Libanese shi'ieten zouden moeten beheersen. Dat willen we niet. En dus beperken wij ons tot compromis-oplossingen die geen èchte oplossingen kunnen zijn. Er bestaat geen militaire oplossing voor een politiek probleem.”

De discussie tussen optimisten en pessimisten is nog niet beslist, omdat het Israelische publiek voorlopig gelaten afwacht en niemand weet waarop de onderhandelingen zullen uitmonden. Op dit moment hebben de pessimisten de overhand. Men vertelt over de man die uit een raam op de 51ste etage naar beneden valt. Iemand op de 22ste etage, die toevallig zijn hoofd naar buiten steekt, vraagt hem: “Hoe gaat het?” “Tot dusver valt het mee”, schreeuwt de passant, terwijl hij langs de 17de etage suist.

    • Michael Stein