KOOS ALBERTS OVER Terug naar Mokum

Koos Alberts: 23/4 Concertgebouw, Amsterdam; 25/4 Nieuwe Doelen, Gorinchem; 2/5 Doelen, Rotterdam.

“Ik heb wel heimwee naar Amsterdam, ja. Dat was ook een reden om een cd te maken met uitsluitend Amsterdams repertoire. Het zijn van die meezingers, het moest dan ook klinken alsof ze zo in het café zijn opgenomen. We hebben publiek in de studio gehaald voor het geroezemoes en applaus.”

Koos Alberts, die morgen een concert geeft in het Amsterdamse Concertgebouw, heeft vorig jaar de cd Samen Terug Naar Mokum uitgebracht. Hier zingt hij de bekende liederen van onder anderen Johnny Jordaan, Tante Leen en Willy Alberti over Amsterdam. De voormalige bouwvakker uit de Amsterdamse Jordaan werd midden jaren tachtig bekend met nummers als Ik Verscheurde Je Foto en Waarom Ben Ik Met Kerstmis Zo Alleen. In 1987 kreeg Alberts een auto-ongeluk in zijn woonplaats Hierden, bij Harderwijk. Maar sinds 1990 treedt hij weer op, in een rolstoel.

“Die nummers die liggen mij heel goed. Johnny Jordaan was een goeie vriend van me, een gabber, en Manke Nelis, Tante Leen. Hun liederen vormen het klassieke Jordaanse repertoire. Daar zal niet zo snel een modern lied bijkomen. Die oude liedjes waren heel simpel. Johnny Jordaan zong met alleen maar een accordeon, nu wordt alles helemaal opgevuld met orkesten en synthesizers. Dat simpele dat spreekt juist wel aan, hè.

“Ik ben geboren in de Jordaan. Mijn ouders hebben daar twintig jaar een café gehad, en mijn oom en tante hadden ook een café. Daar was het altijd zingen. Als ik als klein jochie binnenkwam moest ik altijd een liedje doen, voor 'k weer weg mocht. De liedjes die ik nu zing die zongen we ook daar en op bruiloften en feesten.

“Ja, de Amsterdammers hebben het. Je hoeft niet per se uit de Jordaan te komen om zo te kunnen zingen. André Hazes komt uit de Pijp, hij heeft het ook. Hij is een echte volkse jongen. Maar ook zangers uit Brabant proberen soms Amsterdams te zingen.

“De woorden die ik gebruik in mijn liederen, vormen míjn taal. Daar ben ik mee opgegroeid. Tegen de buren zei je altijd 'tante', maar dat was natuurlijk helemaal geen familie. Wij zeggen 'pikketanussie', en ik zeg altijd dingen als 'moppie', 'vrouwtje', 'koppies' wassen. Het is niet altijd even goed te verstaan, want ik brei het allemaal aan elkaar: 'en-ne-wat-doen-ne-we-dan', bijvoorbeeld, in plaats van 'wat doen we dan'.

“Het klinkt allemaal wel heel gezellig. En dat is het ook. Soms ga ik nog wel eens naar de cafés in de Jordaan, daar kom ik dan oude bekenden tegen. Maar zingen in het café, nee dat doe ik nu niet meer.”