Agro-toerisme moet Peel er weer bovenop helpen

Nu de bio-industrie aan betekenis verliest, legt de Peel zich toe op toerisme en recreatie. In Ysselsteyn, in het hart van het gebied, werd daarvoor vorige week de basis gelegd. Ontspannen aan de Ammonia Avenue.

YSSELSTEYN, 22 APRIL. Een driehoekig plein met daaraan de rooms-katholieke aan de heilige Oda gewijde kerk die het meest lijkt op een uit de kluiten gewassen tuinprieel. Een bronzen beeldengroep, voorstellende een boer met aan zijn voeten een koe, een kip en een varken. Het was in 1994 een geschenk aan de gemeenschap van de Rabobank, die zoveel aan deze overwegend agrarische gemeenschap heeft verdiend.

Wie een paar minuten op het terras van café Roelanzia aan het Lovinckplein in het tweeduizend inwoners tellende Peeldorp Ysselsteyn (gemeente Venray) zit, ziet waar hier alles om draait; om de bio-industrie. Mestkarren getrokken door tractoren, vee- en vleeswagens en veevoederwagens van bedrijven als Sondag, Landbouwbelang en Hendrikx rijden af en aan, want de tweehonderdduizend varkens en de twee miljoen stuks pluimvee op dit kleine stukje grondgebied poepen en vreten wat af. Nergens in Nederland is de veedichtheid zo groot. De stank van mest is weliswaar minder pregnant sinds het spul alleen nog maar geïnjecteerd mag worden, maar de onmiskenbare ondergeur is altijd aanwezig, zeker in dit jaargetijde nu de akkers poot- en zaairijp worden gemaakt. Hier ligt de door de milieubeweging als Ammiona Avenue betitelde weg waarlangs intensieve veehouderijen zich aaneenregen. Nergens ook bracht de uit de stallen komende ammoniak zoveel schade toe aan de natuur. Het natuurreservaat Rouwkuilen, dat lange tijd door Staatsbosbeheer werd gebruikt om de effecten van de zure regen te bestuderen - wat nu wegens geldgebrek is gestopt - is daarvan een voorbeeld: veel dood naaldhout dat zwart ziet alsof er zo juist een brand heeft gewoed. Bij een eerder bezoek stond er het bordje met het opschrift 'Wetenschappelijk onderzoek zure regen - betreden op eigen risico'.

Ysselsteyn ligt in het hart van de Peel. Dit gebied met 18 gemeenten en 270.000 inwoners, dat zich uitstrekt over Brabants en Limburgs territoir en hoofdplaatsen kent als Deurne, Venray en Weert, moet hoognodig worden voorzien van wat wordt genoemd een tweede economische drager. Het oog is daarbij gevallen op toerisme en recreatie. Dat is nodig nu de landbouw aan betekenis begint te verliezen. In een TNO-rapport van 1994 staat dat, indien de voorgenomen milieumaatregelen in al hun gestrengheid zijn doorgevoerd, er tot het jaar 2015 13.000 directe en indirecte agrarische arbeidsplaatsen in de Peel zullen verdwijnen. Voorzitter H. Philipsen van de Ysselsteynse dorpsraad: “Waar je tien jaar geleden hier niet mee had hoeven aan te komen, namelijk het ontwikkelen van een andere economische activiteit dan de landbouw, komt nu in zicht. De bakens moeten inderdaad worden verzet willen we met z'n allen een goedbelegde boterham blijven eten.”

Bij de dorpsraad staat het boek Pioniers in de Peel op stapel. De vroegere veenkolonie, genoemd naar de toenmalige minister van Landbouw Ysselsteyn en nu vooral bekend wegens het Duitse oorlogskerkhof, viert dit jaar haar 75-jarig bestaan. In het boek wordt onder meer vastgesteld dat in 1995 voor het eerst bij de winkel van de Boerenbond, waar de agrariërs hun dagelijkse benodigdheden halen, de omzet terugliep. Ook het aantal agrarische bedrijven, nu nog zo'n 150, begint af te nemen. Vergrijzing en ontgroening slaan hier evenals elders in de Peel extra hard toe.

Bij de presentatie deze week van de visie op de toeristisch-recreatieve ontwikkeling in de Peelregio met als titel De Peel natuurlijk zei wethouder G. Driessen van Horst en leider van de Brabants-Limburgse projectgroep die het gebied levensvatbaar moet houden, dat het van “ver” naar T&R moet; van verzuring en vermesting naar toerisme en recreatie. “De Peel”, sprak hij, “is een parel die Onze Lieve Heer ons heeft gegeven.”

Rond het nationaal park de Groote Peel en de natuurgebieden de Deurnesche Peel, Mariapeel en Grauwveen moet, zo staat in het rapport, een kralenkrans van toeristische en recreatieve activiteiten komen met als uitdrukkelijke voorwaarde een nevenschikking van natuur en toerisme. “Het produkt natuurtoerisme”, aldus het rapport, “vormt de basis van de promotie van de regio; rust en ruimte vormen tegenwoordig de groeisector.”

De verblijfsaccommodatie moet worden uitgebreid, hoewel er in het gebied al negen bungalowparken met in totaal 2.075 bungalows zijn, alsmede 32 campings met bijna 3.500 standplaatsen en 32 hotels en pensions met 1.300 bedden. Er moeten meer fiets- en wandelpaden komen. Er moeten attracties komen met, zoals wordt gezegd, speel-, doe- en plezieractiviteiten. De restaurants moeten de streekprodukten als asperges en champignons meer dan tot nog toe gebeurt op het menu zetten. Aangezien de Peel voor de land- en tuinbouw een belangrijke regio blijft kan, aldus het rapport, worden gedacht aan de ontwikkeling van het agro-toerisme. Daaronder vallen het uitbreiden van de mogelijkheden van het kamperen bij de boer, het vestigen van boerenpensions en van demonstratieboerderijen.

Over vijf jaar moeten de in het rapport genoemde doelstellingen zichtbaar worden. Daarbij gaat het om investeringen van vele honderden miljoenen guldens en het scheppen van vele honderden arbeidsplaatsen. Een voorbeeld is het ontwikkelen op dit moment langs de Middenpeelweg tussen Horst en Sevenum van een bungalowpark, een tropisch zwemparadijs en een themapark waarin de uitbeelding van de werking van de natuurwetten centraal staat. Het gaat volgens directeur P.F.J. van Schaijk van de projectontwikkelaar Haegens-Holland om een uiteindelijke investering van honderd miljoen gulden. Hoe de toeristen de stank ervaren? Van Schaijk: “Dat probleem wordt gruwelijk overdreven, dat leeft meer in de hoofden van de mensen elders in het land dan hier. Daar hoor je de toeristen ook zelden over klagen. Het stinkt hier in de Peel niet; het geurt er wel eens.”