Twee verhaaltjes over vogels en mensen

IHet was de laatste winterse dag van april, een uur of half zes, perron acht van het Amsterdamse Centraal Station. De Spoorwegen hebben daar ergonomische zitplaatsen neergezet, blauwe kuipjes, vier op een rij en nog eens vier, rug aan rug op een groot blok natuursteen. Bij lekker weer een comfort maar onder deze gure omstandigheden zat er niemand.

Er naderde een man aan wie te zien was dat de kou hem niet deerde. Hij was een jaar of veertig, een wat gedrongen gestalte, een zwarte jekker, geen das, hagelwit hemd, open boord, een hoed met een stijve opstaande rand zoals je maar zelden in deze streken ziet. Meer in het centrum van Palermo, Trapani, Enna. Hij had een Siciliaanse allure - een indruk die nog werd versterkt door zijn wat donker getint gezicht en de kalme, onverschrokken oogopslag. Hij heerste over het perron, hij had een luitenant van de mafia kunnen zijn. Een Turkse handelaar in verboden goederen was ook mogelijk geweest.

Deze man ging op een ergonomische zetel zitten, de uiterst linkse. Uit zijn ene jaszak haalde hij een papieren zak, uit zijn andere een met plastic deksel gesloten kartonnen bekertje dat hij voor zich op de grond zette. Achteloos sloeg hij een kruis en begon te eten: een croissant.

Een minuut of twee, drie later steeg uit het trapgat een veel oudere man op, zestig, vijfenzestig zelfs. Hij had een hoofd van een snel verdwijnend type, een communistenhoofd zou ik zeggen; dik grijs haar, dicht en laag ingeplant en zonder scheiding strak achterover gekamd. Fré Meis, Leonid Brezjnjev. Verder een gefronst voorhoofd en bij voorbaat verontwaardigd kijkende bolle blauwe ogen. Des te meer kreeg je het gevoel dat hij een revolutionair verleden had - stakingen, optochten - door zijn windjek van onbestemde kleur, zijn manchester broek en sandalen. Hij had een paraplu. Op een paar treden afstand volgde in gedweeë tred een vrouw, ongeveer dezelfde leeftijd, een mol-achtig voorkomen, bekroond door een grijs bolletje. Het was een echtpaar uit de tijd van de gestaalde kaders.

Ze liepen naar de zetels. De vrouw maakte aanstalten om naast de Siciliaan of Turk te gaan zitten. Haar man tikte met zijn paraplu op de stoel uiterst rechts. Ze schrok zichtbaar, herstelde zich en deed wat haar was aangewezen. Haar man ging naast haar zitten.

De ander, de Siciliaan of Turk, deelde intussen zijn croissant met de vogels. Er waren mussen bij die in de vlucht een toegegooid kruimpje konden opvangen. Daar had hij plezier in. Het leek alsof hij de handigsten tot nog grotere prestaties aanzette, maar hij hij bleef ook oog houden voor de meer timide vogeltjes op de grond. Zo verzamelde hij er wel een stuk of vijftig, een vliegveld vol sportvliegtuigjes met een paar dikke duiven als jumbo's ertussen.

Wat heeft de communist gedacht? Dat gaat zo maar niet? Meneer, als we zo allemaal beginnen? Hij roeide met zijn paraplu tussen de mussen.

De Turk of Siciliaan boog zich naar hem voorover en zei, hard en afgebeten, in zuiver Nederlands: NIET DOEN!

De communist trok zijn paraplu terug.

Wat, als zijn vrouw veertig jaar eerder die woorden had gesproken? 2Op de Dam in Amsterdam zien we een eenvoudig economisch model in werking. De ontwikkeling daarvan heb ik hier van jaar tot jaar opgeschreven. Eerst had je alleen de duiven. Toen kwamen de toeristen. Die wilden de duiven voeren. Ondernemende mannen ontdekten een gat in de markt, begonnen duivenvoer te verkopen. Inkoop drie gulden een zak. Verkoop een gulden een handje. Honderd handjes in een zak. Winst 97 gulden. Anderen zagen dat, gingen ook in de duivenvoerhandel. Gevolg: meer grotere gezonde duiven die het Paleis witkalkten en zakkenrollers hun kans gaven bij de toeristen die naar het duiven voeren keken. Meer zakkenrollers. Maar niet meer toeristen. Duiven, duivenvoerhandelaars en zakkenrollers begonnen op de Dam de meerderheid te vormen. Uitmergeling van de toeristen dreigde, overheidsingrijpen was niet te vermijden.

Zover is het nu, aan het begin van het seizoen 1996 gekomen. De Dam is alleen nog toegankelijk voor bevoegde duivenvoerhandelaars, herkenbaar aan een gele voorschoot en achterschoot, aan galgjes over de schouders gedragen. Voorop een tekst - variant op twee vliegen in één klap: Voer de duiven Voed een dakloze en dan de prijs: één gulden waarvan de dakloze twee kwartjes zelf mag houden. Op zijn rug heeft hij dezelfde tekst in het Engels. Wordt het duivenvoer nu door de gemeente geleverd? Deelt die dan in de winst? Of wordt er vijftig procent belasting geheven? Hebben de bevoegde verkopers ook een pasje? Niet zodra bemoeit de overheid zich ermee of het leven wordt vele malen ingewikkelder.

Zijn hiermee de grenzen van de vrije markt getrokken? Ik twijfel. Het duivenvoer verkopen is te aantrekkelijk. Ik voorspel dat als het mooi weer blijft nog vóór het einde van de maand de eerste illegale duivenvoerverkopers met hun zwarte voer zijn gesignaleerd. Ze gaan een paar dubbeltjes onder de markt, er ontstaat een kluitje van zwartvoerverkopers zoals je ze ook in de hongerwinter had. Razzia's. Er wordt een vervalste duivenvoerverkoperspas ontdekt, zeer bekwaam nagemaakt. In de gemeenteraad wordt geroepen om een fraudebestendige duivenvoerverkoperspas. Hiermee is het stadium bereikt waarin de flauwiteiten niet meer van de lucht zijn. In dit Madurodamse economiemodel worden deze zomer de grenzen van de vrije markt getest.

    • S. Montag