Loevendie pleziert

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. piano. Gehoord: 19/4 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 21/4. Uitz.: 27/4 Avro Radio 4.

Jan van Gilse, dirigent van het voormalig Utrechts Stedelijk Orkest, laakte de 'hypertrophische cultivering', de zijns inziens absurdistische overschatting van de Franse muziek bij de toenmalige Nederlandse avant-garde. Al vóór de Eerste wereldoorlog noemde Matthijs Vermeulen Debussy's La mer - vrijdagavond het openingsstuk op het uitverkochte concert in de Premièreserie van het Concertgebouworkest - “de eerste vooruitgang in de muziek sedert Bach.”

Koos de avant-garde na de Tweede wereldoorlog weer voor de Duitse traditie (Stockhausen cum suis), nu wordt in een consequente pendelbeweging het belang van Debussy's vernieuwingen weer veel meer naar waarde geschat. Een bewijs vormde Theo Loevendie's nieuwe Pianoconcert, gecomponeerd voor Ronald Brautigam, dat in zijn speels slanke textuur met een kleine strijkersgroep leek te verwijzen naar zowel het Pianoconcert in G van Ravel als de meer groteske concerten van Prokovjev. Het centrale langzame deel is 'tonaal' genoteerd (in Es) - ondenkbaar in de streng atonale Duitse Darmstadt-traditie!

De vorm is duidelijk: twee hoofddelen met elk een langzame inleiding, de eerste in een vloeiende overgang, later juist heel abrupt.

Geen stuk van Loevendie begint zo Debussyaans depressionistisch. Van Gilse had gezegd: “In een hypertrophische cultivering van het glissando.” Maar het tweede langzame deel is met zijn klassieke dominant-septiemakkoord nog het meest gewaagd: 'almost Pergolesi' riep Chailly op de repetitie.

Geestig is de verrassende overgang naar de 12/8ste tarantella, met een knipoog zowel naar Haydn (idee) als Stravinksy (idioom). Loevendie componeerde geen diepgravende muziek, eerder een scherp gearticuleerd spel, spat-precies vertolkt, met hoorbaar plezier. Het USO had het op zijn repetoire kunnen nemen en het kan ook zó de provincie in, als een divertimento op hoog niveau!