In Belgrado woedt bitter gevecht om geldpers

ROTTERDAM, 20 APRIL. Begin 1994 verloste Dragoslav Abramovic Joegoslavië (Servië en Montenegro) uit de spiraal van de hyperinflatie van 313 miljoen procent per maand. Abramovic, gepensioneerd medewerker van de Wereldbank, schafte als nieuwbenoemde president van de Nationale Bank de oude dinar af, schiep een nieuwe dinar en koppelde die aan de mark. In één klap kwam er een eind aan een nachtmerrie. Winkeliers hielden op hun prijzen elk uur te verhogen, het publiek hield op met de dagelijkse pogingen dinars zo snel mogelijk in valuta om te zetten en centrale-bankpresident Abramovic werd de held van de natie.

Nu, ruim twee jaar later, dreigt Joegoslavië opnieuw weg te glijden in de richting van hyperinflatie - dankzij het beleid van dezelfde leiders die de geldontwaardingsspiraal van 1993 op hun geweten hebben - en zit Abramovic op de schopstoel. Hij is in een verbitterd conflict gewikkeld met de politieke leiding van Servië over het economisch beleid na de opheffing van de internationale sancties. De achtergrond van het conflict is de vraag of Joegoslavië zijn commando-economie uit de tijden van het socialisme moet handhaven of moet privatiseren.

Abramovic raakte eerder deze maand in conflict met de regering over de toetreding van Joegoslavië tot het Internationale Monetair Fonds (IMF). Het IMF was bereid Joegoslavië als 'nieuw land' toe te laten op dezelfde voorwaarden waaraan ook de andere republieken van ex-Joegoslavië hebben moeten voldoen. Belgrado weigerde dat, omdat het, als het als 'nieuw' land wordt toegelaten, mogelijk voor in de oorlog in Kroatië en Bosnië aangerichte schade moet betalen. Het eist toelating als erfopvolger van het oude Joegoslavië - een eis die door het IMF (en de hele internationale gemeenschap) is afgewezen.

Volgens Abramovic kan Joegoslavië niet zonder het IMF. De Joegoslavische regering gebruikt de valutareserves om haar tekorten aan te vullen en de verliezen van grote staatsbedrijven te dekken. Die valutareserves slinken in een tempo van één miljoen dollar per dag en staan nu op 300 miljoen dollar. Volgens Abramovic heeft Joegoslavië dringend een lening van 300 miljoen dollar nodig, en de enige instantie waarbij het kan aankloppen is het IMF.

De centrale-bankpresident noemde de staat van de Joegoslavische economie onlangs “rampzalig”. Hij hekelde de houding van de regering in het conflict met het IMF als 'sabotage' en hij onthulde - tot woede van de regering en de regerende Socialistische Partij van president Slobodan Milosevic - dat de regering hem permanent onder zware druk zet om de geldpers harder te laten draaien teneinde de tekorten van de regering en de verliezen van de grote staatsbedrijven te dekken.

Abramovic heeft zich sinds zijn aantreden fel verzet tegen het aanzwengelen van de geldpers, maar dat gaat hem steeds moeilijker af en de inflatie neemt dan ook snel toe. Vorig jaar beliep ze 119 procent, in januari van dit jaar ruim negen en in februari alweer vijftien procent. Als die trend doorzet komt de inflatie in de eerste helft van dit jaar uit op enkele honderden procenten: het eind van Abramovic' veel geroemde stabilisatieprogramma is in zicht.

Achter de schermen wordt inmiddels druk gezaagd aan de poten van Abramovic' stoel. Alleen het federale parlement kan hem wegsturen. Maar in dat parlement zijn de Montenegrijnen tegen. Volgens hardnekkige geruchten zou Abramovic worden opgevolgd door de aanzienlijk plooibaarder bankier Borka Vucic, die volgens velen de belangrijkste architect is geweest van de spoorloze verdwijning van miljarden marken en dollars naar bankrekeningen van een kleine groep politieke en economische bonzen op Cyprus in 1993 en 1994. Anderen menen dat Milosevic Abramovic voorlopig zal sparen en in plaats daarvan enkele minder plooibare ministers de laan uit zal sturen.

De achtergrond van het conflict is minder de kwestie van het IMF-lidmaatschap dan de vraag of Joegoslavië moet privatiseren of moet blijven doormodderen met staatsbedrijven waarvan de verliezen telkens weer uit de staatskas moeten worden bijgepast. Tegen privatisering verzet zich de voltallige politieke establishment, geconcentreerd in Milosevic' Socialistische Partij. De staatsbedrijven zijn van cruciaal belang voor de socialisten: ze vormen de ruggegraat van het electoraat van de partij en dat electoraat zit niet te wachten op de massa-ontslagen die voortvloeien uit privatisering.

De staatsbedrijven zijn óók van cruciaal belang voor veel ministers en andere hoge overheidsfunctionarissen persoonlijk: ze zijn veelal tegelijkertijd eigenaar of topmanager van monopoliebedrijven die ze, ondanks de verliezen, onbeperkt kunnen afromen. Die inkomsten raken ze kwijt als er wordt geprivatiseerd en ze hebben dus alle belang bij de handhaving van de status quo. Hoe weinig haast Joegoslavië met privatiseren heeft maakte de minister van privatisering, Dragan Tomic, onlangs duidelijk: “Duitsland, Italië en Zwitserland privatiseren nog steeds. Waarom zouden wij het dan in een half jaar willen doen?”

Het probleem maakt duidelijk dat Servië noch op het politieke vlak, noch ten aanzien van de economische structuur veel is opgeschoten in vergelijking met de tijd van de hyperinflatie van enkele jaren geleden of zelfs de desintegratie van het oude Joegoslavië in 1991: Servië wordt, politiek en economisch, bestuurd door dezelfde communistische bonzen en heeft structureel-economisch nog hetzelfde communistische systeem. Alleen kan het zich dat nu niet veel langer permitteren: voortgaan op het oude pad leidt onherroepelijk tot een nieuw inflatiedrama en het is de vraag of de bevolking de reserves heeft om dat te doorstaan. Het jaarinkomen per hoofd van de bevolking, in 1989 nog 3300 dollar, ligt onder de duizend dollar en negentig procent van de Servische bevolking leeft op of onder het armoedeniveau: veel verder terug kan die negentig procent niet.

    • Peter Michielsen