Hugo Pos (1913); Het zwervende leven van een laatbloeier

HUGO POS: In Triplo

252 blz., In de Knipscheer 1995, ƒ 39,50

Sinds hij ruim tien jaar geleden met de verhalenbundel Het doosje van Toeti debuteerde, heeft Hugo Pos onverdroten doorgeschreven. Nu heeft hij zijn memoires het licht doen zien. Ze dragen de titel In Triplo, duidend op drie gestalten die hem jarenlang het vuur na aan de schenen hebben gelegd: Surinamer, Nederlander en jood. Na een harde onderlinge strijd heeft het drietal zich uiteindelijk gewonnen gegeven en is in één ziel samengevloeid. Pos heeft, schrijft hij in het laatste hoofdstuk van In Triplo, “het weinig enerverende en meer bij mijn leeftijd passende op de plaats rust ingenomen”.

Memoires willen nog wel eens ontaarden in zelfrechtvaardigende bespiegelingen of in een behaagziek terugblikken op een strijdbaar leven waarin de harmonie dan toch nog is ingetreden. Niets van dat al bij Pos. Je zou zelfs de stelling kunnen verdedigen, hoewel dat in het geval van een 82-jarige schrijver ietwat paradoxaal mag klinken, dat zijn memoires te vroeg zijn prijsgegeven. Als zij iets duidelijk maken, dan is het dat nog veel moet worden overdacht en dat de eindafrekening nog lang niet is opgemaakt. In Triplo is levendig en met humor geschreven, geeft zelfkritiek en twijfel ruim baan, vertoont een jeugdige verwondering en biedt een verfrissende relativering van het eigen bestaan.

Omdat hij zich niet behoeft bezig te houden met de brede dramatiek van het wereldtoneel - hij is tenslotte geen politicus - buigt Pos zich over een kleine ruimte, die hij als zijn persoonlijk territorium beschouwt, zijn “atol dat straks met mij in de diepe zee van de vergetelheid mag verzinken”. In dat afgeperkte gebied is een breuk in zijn denken te traceren die zich aan het eind van de Tweede Wereldoorlog begon af te tekenen. Ingedeeld bij de Netherlands-Indies Civil Affairs fungeerde hij op het eiland Tarakan, gelegen bij de noordoostkust van Borneo, als aanklager tegen de Indonesiërs die met de Japanners hadden geheuld. Tegen vijf van hen eiste de jonge, onervaren jurist de doodstraf, een straf die door de militaire rechters even zoveel keren werd overgenomen. Eén van de gestraften - “de eis tegen hem was onterecht geweest“ - waart nog geregeld rond in zijn dromen. “Een jongen met een harde kop, een soort skin-head. Ik heb hem geadopteerd als mijn zoon in de nacht. Mijn stiefzoon.”

Pos verkeerde in de simpele overtuiging dat de Indonesiërs die met de Japanners hadden gecollaboreerd de vijanden van de Geallieerden waren, en de Geallieerde zaak was de goede zaak. Na de oorlog brak het inzicht door dat hij zijn ogen “nooit goed open had gedaan”. Hij probeerde zijn geweten te sussen met de gedachte dat niet de aanklager maar de krijgsraad voor het oordeel verantwoordelijk was geweest. Die formeel-juridische redenering bood evenwel geen gemoedsrust: hij had het machtsspel meegespeeld, was een schakel geweest in de rechtsbedeling zoals die volgens Nederlandse maatstaven in de kolonie werd gehanteerd. Zijn zwart-witschema maakte plaats voor denken in nuances. Toen hij na de oorlog als auditeur-militair in Timor optrad, eiste hij aanmerkelijk korte vrijheidsstraffen. Ten tijde van de politionele acties stond hij zeker niet kritiekloos aan de Nederlandse kant.

Tante Becca

Vóór zijn verblijf in Indonesië had Pos er al een ruime tocht opzitten. Hij werd geboren in Suriname, waar de joodse bevolkingsgroep tot de bovenlaag van de koloniale samenleving behoorde. Een gelukkige jeugd, goede maatjes met de bosnegers en zoete herinneringen aan de licht gestoorde tante Becca die in de schommelstoel liefdesliedjes placht te zingen. Op zijn veertiende werd hij naar Nederland gestuurd. Hij bezocht het gymnasium in Alkmaar, ging rechten studeren in Leiden, werd lid van het corps, las - en dan niet alleen juridische lectuur -, schreef licht onrijpe gedichten. In 1936 studeerde hij op voorspraak van de befaamde civilist E.M. Meijers enkele maanden in Parijs vergelijkend Frans-Engels recht, maar bezocht daar vaker café en cabaret dan collegezaal; hij ontmoette er Henry Miller, “een kleine, niet bepaald opvallende man van om en nabij de vierenveertig”.

Op 9 november 1938, na een nacht studentikoos doorzakken in Leiden, schrok hij op van de krantenkoppen: de Kristallnacht. Hij begreep meteen dat het ernst was en dat appeasement niet zou baten. In de nacht van de capitulatie stapte Pos met twee vrienden op het Scheveningse strand in een bootje, in de hoop door een Engels schip te worden opgepikt. Het werd een helse zwalkpartij, vijf dagen op open zee met een half brood en een emmer water aan boord, eindigend in de Belgische kustplaats Nieuwspoort. Enkele maanden later voer hij op een kustvaarder als kok-matroos naar Finland, spoorde met de Transsiberische naar Wladiwostok. Per vrachtboot ging het naar Japan en vervolgens via Canada naar Engeland. Na een officiersopleiding reisde Pos naar Australië waar hij werd ingedeeld bij de Netherlands-Indies Civil Affairs, vervolgens ging hij als aanklager naar Tarakan, waar hij bij nader inzien te streng oordeelde.

Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 was hij in Jakarta getuige van het prille begin van de Indonesische revolutie (“een paar weken van betrekkelijk nietsdoen in een chaotische stad waar af en toe zonder aanwijsbare reden een plotseling heftig schieten losbarstte“) en deed, inmiddels kapitein bij het KNIL, in Portugees-Timor onderzoek naar Japanse oorlogsmisdaden. In de aanstellingsbrief voor dat onderzoek stond: 'To report to Tokyo'. Nogal roekeloos nam hij dat persoonlijk op - hij had zijn rapport ook kunnen opsturen, maar hij wilde weg uit Indonesië -, vloog in 1946 naar Japan, overhandigde zijn Timorese bevindingen en werd tot zijn verrassing maar meteen benoemd tot Prosecutor Minor War Crimes bij het Internationaal Tribunaal in Tokio, belast met de berechting van Japanse oorlogsmisdadigers.

Een leerzame tijd, hij had een uitbundige verhouding met een Amerikaanse van Japanse afkomst en schudde tussen de bedrijven door de westerse vooroordelen over de Japanse volksaard van zich af. Opvallend was de lijdzame zwijgzaamheid van de Japanse verdedigers op de zittingen. De rol van de Japanse strafpleiter beperkte zich in de praktijk tot, zoals de uitdrukking luidde, 'to put flowers on his client's grave'. De vraag was overigens of die gebrekkige juridische vechtlust als typisch Japans moest worden beschouwd, onbekendheid met de Angelsaksische procedure zal hieraan zeker een steentje hebben bijgedragen. Wijzer geworden in Indonesië eiste Pos geen enkele maal de doodstraf. Nadat hij in 1947 was teruggekeerd in Nederland kwam hem broksgewijs - er werd niet zoveel over gesproken - de omvang van de nazi-terreur ter kennis. “We zullen nooit meer over specifiek oosterse wreedheid mogen spreken. Voor wat zich in Europa heeft afgespeeld - en ik denk hierbij vooral aan de onuitwisbare, stelselmatige moord op meer dan een miljoen kinderen - bestaat geen oosters equivalent.”

Ernesto Albin

Na het Japanse avontuur raakt Pos' leven in rustiger vaarwater. In 1950 is hij terug in Paramaribo. Hij is er rechter, wat hem nogal eens noopt tot een avontuurlijke reis naar het Surinaamse binnenland, verkeert in letterkundige kringen - het is de tijd dat de Surinaamse literatuur begint te ontbotten - en wordt voorzitter van het toneelgezelschap Thalia, dat zijn Viva la Vida op het programma neemt. In het stuk worden de morele problemen binnen een revolutionaire beweging 'ergens in Zuid-Amerika' uitgediept en omdat het explosief materiaal bevat kiest hij een schuilnaam: Ernesto Albin. “Het is maar goed dat ik Les Justes van Albert Camus niet kende, anders had ik het nooit durven schrijven.”

In 1960 wordt Pos benoemd tot procureur-generaal, “een vrij machtig man“, onder wie het openbaar ministerie, de politie, de inlichtingendienst, de wetgeving en het toelatingsbeleid ressorteerden, maar na een paar jaar begint het te knagen. Is het onrust, is het “de behoefte mijzelf te toetsen aan de maatstaven die in Nederland in de juristerij” gelden? Pos weet het nog steeds niet. Hij hield het er destijds op dat een niet-blanke het departement van justitie zou moeten leiden, maar achteraf bezien betwijfelt hij dat. “Suriname werd in 1964 al lang niet meer door een blanke bovenlaag overheerst. Eerder was het tegendeel het geval.” Op zijn vijftigste jaar is hij met zijn gezin weer in Nederland, wordt eerst rechter in het roerige Amsterdam van de jaren zestig en is daarna tot zijn pensionering raadsheer in het Hof van Den Haag.

Die pensionering heeft zijn schrijverschap, serieus ingezet op zijn zeventigste jaar, in hoge mate doen opbloeien. Zijn verbazing daarover is ten minste even groot als die van mensen die hem vragen waarom hij niet eerder is begonnen. “Laatbloeier, zeg ik dan, met een verwijzing naar het plantenrijk en als zodanig een speling der natuur.” Maar het is eerder zelfkritiek, die hem had ingegeven “het meeste dat ik voordien bij tijd en wijle had geproduceerd voor me te houden”. Na Het doosje van Toeti (1985) volgden in rap en regelmatig tempo Een uitroep zonder uitroepteken (kwatrijnen), De ziekte van Anna Printemps (verhalen), Reizen en stilstaan (reisverhalen en herinneringen), Het mausoleum van de innerlijke vrede (verhalen), Van het een (verhalen) en Voordat ik afreis (Nestoriaanse kwatrijnen).

Toeval

Een produktie die met zijn autobiografie voorlopig is afgesloten. In Triplo, kortgeleden bekroond met de E. du Perronprijs, bevat in 24 hoofdstukken de belevenissen en overdenkingen van een man die na een lange zwerftocht over de wereld slechts één zekerheid heeft overgehouden: dat het leven door louter toeval wordt bepaald. Maar voordat die conclusie wordt getrokken heeft Pos, nu en dan terugspringend in de tijd, de lezer een inkijkje gegeven in zijn persoonlijke territorium: het schrijverschap, de attractie van het kwatrijn, hoog geschatte auteurs (Leopold, Marsman, Du Perron, Albert Helman, Danilo Kis, Naipaul, Borges en vooral de door de vertaling van August Willemsen in Nederland geïntroduceerde Braziliaan Machado de Assis), zijn werk als recensent voor Het Parool en Trouw (“Ik weet maar al te goed dat ik geen baanbrekend criticus ben geworden, behalve waar het de opkomst van de Surinaamse literatuur betreft, ik zag mijn taak meer als voorlichter”), de bom op Hiroshima, die hij op Tarakan met gejuich begroette (hij had er in Reizen en stilstaan al over geschreven, maar dat boek “heeft niet de minste aandacht getrokken en is al spoedig in de ramsj ten onder gegaan”), de opkomst van het Creoolse bevolkingsdeel in Suriname, de sergeantencoup van 25 november 1980 die zijn beeld van Suriname verduisterde, de moord door de militairen op vijftien vooraanstaande Surinamers in de nacht van 8 op 9 november 1982 die hem beroofde van enige goede vrienden, de verraderlijkheid van het geheugen, zijn reizen naar Afghanistan en Nepal, de functie van het rechterschap.

Alleen dat laatste behoeft een kritische noot. Tegen de verhalen over zijn rechterlijk optreden in het Surinaamse binnenland - met een korjaal de rivier af, “de toga's mee, een groen laken, een voorzittershamer en het portret van de koningin” - steekt zijn vertelling over zijn ervaringen als rechter in Nederland wat bleekjes af. In zijn verslag van de 'Vietnam-processen' ('Johnson moordenaar'), het ezelsproces tegen Gerard van het Reve en het geding van De Bezige Bij tegen Trouw (die de uitgever van Ik Jan Cremer voor 'De Smerige Bij' had uitgemaakt) houdt Pos zich duidelijk in, hoewel hij er, al of niet in functie, bij aanwezig was. Dat het geheim van de raadkamer een schrijvende oud-rechter zou verhinderen alle registers open te trekken, zoals Pos ergens in zijn autobiografie suggereert, is een opvatting die in redelijkheid geen stand kan houden. Met een beetje wrikken zitten daar nog wel een paar mooie verhalen in.