Het Amerikaanse onbegrip voor Japan

R. TAGGERT MURPHY: The Weight of the Yen. How Denial Imperils America's Future and Ruins an Alliance

352 blz., W.W. Norton & Company 1996, ƒ 50,50

De tijd is voorbij dat Japan als een Amerikaans 'vliegdekschip' voor de oostkust van Azië fungeerde in de confrontatie met de Sovjet-Unie, maar de Amerikaans-Japanse betrekkingen blijven de hoeksteen van het Amerikaanse veiligheidsbeleid in Oost-Azië. President Clinton heeft dat deze week met zijn bezoek aan Tokio voor de goede orde - en met het oog gericht op China en Noord-Korea - nog eens bekrachtigd. Het belang van de veiligheidsrelatie tussen de VS en Japan, de grootste en de één na grootste industriële economie ter wereld, belast van tijd tot tijd de betekenis van andere onderdelen in de bilaterale betrekkingen. Opening van de Japanse markt, liberalisatie van de Japanse financiële wereld en de bevordering van de yen als internationale reservemunt staan altijd in de schaduw van de zekerstelling van de regionale stabiliteit. Toch zijn veiligheids-politieke en economische betrekkingen niet los van elkaar te zien. Zeker niet in het geval van Japan en de Verenigde Staten.

Naarmate Japan niet alleen als verliezer van de Tweede wereldoorlog en terughoudende bondgenoot in de Koude oorlog, maar meer en meer als een economische rivaal werd beschouwd, is de aandacht in Amerika verschoven naar de onevenwichtigheid in de economische betrekkingen. Daarbij doet zich een slingerbeweging voor van aanvankelijke bewondering voor het 'Japanse wonder' naar angst voor de 'Japanse dreiging' en vrees voor het verlies van de Amerikaanse economische hegemonie. De complexe verhouding tussen beide landen wordt steeds meer belast met economische geschillen. Waarbij wederzijdse misverstanden een helder oordeel en nuchtere beleidsafwegingen maar al te vaak in de weg staan.

Japan heeft in de eerste helft van de jaren negentig de langste recessie van alle industrielanden doorgemaakt, de grootste financiële speculatieballon doorgeprikt, de sterkste waardestijging van zijn munt beleefd. Japan, het land van de naoorlogse rijzende groei, bevindt zich met andere woorden in de grootst mogelijke economische problemen. Deze vaststelling komt niet overeeen met het beeld dat de buitenwereld van Japan heeft. Het land mag dan achterblijven bij de onstuimige dynamiek in de rest van Oost-Azië, het is nog altijd een industriële macht met een geduchte financiële slagkracht.

Bestaat er zoiets als een Japanse economie en, zo ja, is die verklaarbaar met de economische modellen en bestuurbaar met de economische beleidsinstrumenten die in westerse industrielanden gebruikelijk zijn? Of onttrekt Japan zich aan de geheiligde Angelsaksische opvattingen van de markteconomie en vormt het een economisch model met eigen kenmerken die om een heel andere benadering vragen? Dit vraagstuk is zowel van conceptuele als van praktische betekenis. De manier waarop het verschijnsel Japan wordt beoordeeld, heeft immers verregaande gevolgen voor de opstelling van andere industriële economieën en in het bijzonder de Verenigde Staten, ten aanzien van Japan.

Tot diep in de jaren tachtig werd het 'Japan-debat' in de Verenigde Staten beheerst door de 'Chrysanthemum Club', de garde van Amerikanen die na de Japanse nederlaag in 1945 had meegewerkt aan de economische wederopbouw en politieke hervormingen die van Japan een democratie en markteconomie naar westers beeld moesten maken. Maar toen opeenvolgende Amerikaanse industrietakken door Japanse importen weggevaagd werden, de Amerikaanse handelstekorten met Japan steeds groter werden, de Japanners de oplopende staatsschuld onder president Reagan gingen financieren en de Amerikaanse afhankelijkheid van Japanse technologie een kwestie van nationale veiligheid begon te worden, kregen nieuwe geluiden de boventoon. Terwijl opeenvolgende Amerikaanse regeringen via onderhandelingen met Japan probeerden de handelsproblemen op te lossen, pleitten anderen voor directe marktbescherming tegen Japanse importen. Intussen werd het klassieke instrument van een lagere wisselkoers ingezet om het evenwicht op de Amerikaanse handelsbalans te herstellen. Het Amerikaanse dollarbeleid was vanaf 1985 in belangrijke mate een instrument van handelspolitiek tegenover Japan. Zonder resultaat overigens.

Gevaarlijk

Eind jaren tachtig kwam een nieuwe stroming op, die van de 'revisionisten'. Zij beweerden onderling verschillende dingen, maar ze hadden met elkaar gemeen dat ze de traditionele Amerikaanse visie op Japan als westerse marktdemocratie afwezen. Beleid gebaseerd op de gedachte dat marktaanpassingen net zo vanzelfsprekend zijn als in de Verenigde Staten, was in hun opvatting niet alleen onzinnig, maar gevaarlijk. De opstelling van de regeringen-Reagan en -Bush ten aanzien van Japan diende dan ook drastisch te veranderen. Na aanvankelijk op groot verzet te zijn gestuit (niet het minst gevoed door de omvangrijke Japan-lobby in Amerika), zijn veel opvattingen van de revisionisten in Clintons Washington inmiddels gemeengoed geworden.

Taggert Murhpy heeft met The Weight of the Yen een indrukwekkend boek geschreven dat in de 'revisionistische school' past. Murphy heeft een achtergrond in het bankwezen en hij kan uitstekend schrijven. Als kind woonde hij in Japan, hij studeerde Japanse taal en cultuur op Harvard en hij kwam min of meer bij toeval terecht bij een bank in Tokio. Amerikaanse banken hadden midden jaren zeventig nog nauwelijks belangstelling voor Japan, dat kwam pas later en in de gouden jaren tachtig van de Japanse expansie maakte Murphy een carrière bij Chase en Goldman Sachs. “Als een bankier voelde ik me als een kind in een snoepwinkel”, schrijft hij. Terwijl onder president Reagan in de Verenigde Staten de belastingen omlaag gingen, de defensie-uitgaven omhoog en op andere uitgaven niet werd bezuinigd, zodat het Amerikaanse overheidstekort explodeerde, bood Japan de miljarden uit zijn handelsoverschotten ter financiering van de Amerikaanse uitgavendrift.

Niemand wilde beseffen welk potentieel gevaar in deze financiële symbiose tussen de Verenigde Staten en Japan besloten lag. Murphy (“Ik hield van Japan, maar ik hield ook van mijn eigen land”) besefte dat de politieke elite, de spraakmakende goegemeente en de media in Washington de Japans-Amerikaanse betrekkingen volkomen verkeerd beoordeelden. In 1989 nam hij kennis van The Enigma of Japanese Power, het opzienbarende boek van Karel van Wolferen, voormalig correspondent van NRC HANDELSBLAD in Tokio, over Japan. Van Wolferen betoogde dat in Japan geen aanspreekbaar politiek centrum bestaat en dat politici geen uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen voor het beleid. Hij introduceerde het begrip 'het Japanse systeem' als omschrijving van het ondoordringbare pact van hoge ambtenaren dat Japan bestuurt. Murphy had zijn intellectuele anker gevonden.

Wisselkoersbeleid

In The Weight of the Yen past Murphy het analytische denkraam van Van Wolferen toe op de Japanse economie met als rode draad het wisselkoersbeleid van de yen. Hij plaatst zich in de school van de 'institutionele economen' en hij zet zich af tegen de neo-klassieke economische stroming die in essentie alle economische verschijnselen verklaart vanuit het marktmechanisme. Bij de institutionele economie ligt de nadruk op het belang van organisaties en maatschappelijke arrangementen. Japan, maakt Murphy duidelijk, is geen marktsysteem. Evenals Van Wolferen verwijt hij de Amerikaanse beleidsmakers en toonaangevende universitaire economen dat ze 'Japan' niet begrijpen omdat ze geen oog hebben voor de verschillen tussen de politieke en economische instellingen zoals die in Japan en in de Verenigde Staten functioneren. Bijgevolg kunnen ze ook geen 'Japan-beleid' formuleren en uitvoeren.

Het Japanse ministerie van financiën (MOF) en de Japanse centrale bank (BOJ) bekleden in de analyse van Murphy een even machtige plaats als het ministerie van handel en industrie (MITI) in studies over de Japanse industriële wederopbouw na de oorlog. Het MOF en de BOJ sturen het kredietbeleid en drijven de investeringen in meer productiecapaciteit op, ze bepalen de rente- en wisselkoerspolitiek, ze oefenen druk uit op de financiële instellingen, ze stellen de regels vast voor de financiële markten, ze beïnvloeden de beurskoersen.

Murphy beschrijft de rol van het MOF en de BOJ aan de hand van de koersstijging van de yen vanaf 1985 (het 'Plaza-akkoord'), de inflatie van beurskoersen en onroerend-goedprijzen eind jaren tachtig en de poging tot gecontroleerde deflatie vanaf 1990. Hij gaat daarbij uit van de symbiotische relatie tussen de Verenigde Staten en Japan, de verwevenheid van Amerikaanse tekorten en Japanse overschotten. Hij doet dat met kennis van zaken en hij toont met een groot aantal voorbeelden aan dat de orthodoxe economie niet in staat is het Japanse economische gedrag te verklaren.

Speculatieluchtbel

Het besluit van het MOF om de speculatieluchtbel te laten leeglopen door renteverhogingen verklaart Murphy in psychologische termen van gekwetste institutionele eer: “Te veel onvoldoende onderdanige jongeren beschikten over te veel geld. Te veel politici, overspoeld met campagnegelden, schenen te denken dat ze iets te zeggen hadden in de manier waarop Japan bestuurd werd. Te veel gangsters waren buiten hun stilzwijgend gedoogde werkterrein gestapt om linkse onderwijzers te intimideren, schuldenaars te dwingen tot betalen, bouwbedrijven onder druk te zetten om op tijd te leveren en de commerciële seks- en gokindustrie te beheren. Er was te veel van alles: luidruchtige banken, twijfelachtige zakelijke deals, grootse kantoorgebouwen, branieschoppende effectenhandelaren.”

Maar ook uit Murphy's analyse wordt niet duidelijk hoe Japan in staat is geweest de economische schokken van de afgelopen zes jaar op te vangen. Een voor de hand liggende vraag is bijvoorbeeld waarom in Japan nooit algehele paniek is uitgebroken terwijl de Japanse crash van 1990 niet heeft ondergedaan voor die van Wall Street in 1929. Murphy stelt vast dat de koersstijging van de yen nauwelijks tot aanpassing van de handelsbalans heeft geleid en de Japanners een welkome zondebok heeft verschaft om 'de Amerikanen' de schuld te geven van de dure yen. Hij heeft gelijk in zijn kritiek op handelseconomen die uitsluitend pleiten voor een nóg lagere dollar, maar hoe de Japanse economie zich dan wel aanpast, laat hij (behalve de bekende inkrimping van de toeleveringsbedrijven) in het midden.

Dat komt vermoedelijk doordat Murphy - en ook andere 'revisionisten' - het verschijnsel Japan onlosmakelijk zien als een onderdeel van de Japans-Amerikaanse betrekkingen waarvoor ze een haast obsessieve aandacht hebben. Ook Murphy komt steeds weer terug op de spiegelverhoudingen in de handels- en betalingsbalans van Japan en de VS. Hij verwerpt vrijhandel en de theorie van het comparatieve voordeel, want de Aziatische successen zijn (mede) gebaseerd op protectionisme. Kennelijk is hij voorstander van het soort meetbare handelsdoelstellingen waarmee de regering-Clinton in 1995 flirtte (en die ze vervolgens liet vallen). Maar voor de binnenlandse economische ontwikkelingen in Japan of voor de expansie van de Japanse betrekkingen met Oost-Azië heeft hij beperkte aandacht.

De aanpak van de Japans-Amerikaanse betrekkingen die Murphy bepleit vloeit uit zijn analyse voort, maar zijn aanbevelingen zijn, eerlijk gezegd, nogal open deuren. Japan moet zijn politieke economie fundamenteel hervormen, de bureaucratische controle op de economie moet afnemen, de publieke verantwoordingsplicht moet toenemen. Japan, stelt Murphy, kan zijn economie niet blijven beheren zoals het sinds 1955 heeft gedaan door internationale markten te veroveren en steeds grotere overschotten op de handels- en betalingsbalans op te bouwen. De Verenigde Staten moeten hun financiële en industriële afhankelijkheid van Japan verminderen door hun tekorten terug te dringen.

Dat is allemaal waar en het hartstochtelijke pleidooi van Murhpy om eindelijk het gezonde verstand te laten doordringen tot het Amerikaanse Japan-beleid, is behartigenswaardig. Hij schetst de gevaren van politieke en economische ruzies tussen de VS en Japan, hij waarschuwt voor ergernis, onbegrip, cliché-matige beeldvorming en zelfs voor een herhaling van een militaire botsing. “Vijftig jaar na de Tweede wereldoorlog zijn veel factoren die dat verschrikkelijke conflict veroorzaakten, weer actueel. De VS en Japan zijn afhankelijker van elkaar dan ooit, maar die afhankelijkheid wordt ontkend of verdraaid.”

Mercantilisme

De Verenigde Staten moeten volgens hem een 'institutionele geheugenbank' vormen waar Japan op dezelfde grondige manier wordt geanalyseerd als ten tijde van de Koude oorlog met de Sovjet-Unie werd gedaan. Voor het ontbreken van inzicht in de werking van Japan hebben de Verenigde Staten in de jaren tachtig een prijs betaald in de vorm van 500 miljard dollar die ze van Japan hebben geleend, terwijl het mercantilisme de welvaartsstijging van de Japanners heeft beperkt. “Helaas, de geschiedenis is nooit aardig of eerlijk”, concludeert Murphy.

Hij adviseert het Japanse ministerie van financiën te ontmantelen en te splitsen in eenheden die publieke verantwoording verschuldigd zijn en daarop worden aangesproken. En de Amerikanen moeten beseffen dat ze geen “Zweedse-stijl welvaartsstaat kunnen handhaven met Hongkong-stijl belastingen”. Alleen op deze manier kunnen Japan en de Verenigde Staten leren volwassen en volwaardig met elkaar om te gaan.

Dat is Murphy's aanmoediging voor het schrijven van The Weight of the Yen geweest: “In laatste instantie heb ik dit boek geschreven als een pleidooi voor leiderschap in beide landen waarvan ik houd, zodat (andere) vaders niet voor hun zonen in tranen hoeven uit te barsten op de (oorlogs-)begraafplaatsen van de doden.” Het is de drijfveer van een Amerikaanse wereldverbeteraar, maar het heeft een bijzonder informatief en toegankelijk boek opgeleverd over de economische en financiële actualiteit van Japan en van zijn plaats in de wereldeconomie.