Geweld zonder distantie

CAROLYN NORDSTROM and ANTONIUS C.G.M. ROBBEN (eds.): Fieldwork under Fire: Contemporary Studies of Violence and Survival

300 blz., geïll., University of California 1995, ƒ 39,50

Meer dan honderd brandhaarden in de wereld genereren een onophoudelijke stroom van geweld. Na het ineenstorten van het Oostblok is het gevaar akelig dicht in onze eigen buurt gekomen, maar ook daarvoor al brachten journalisten als Michael Herr over Vietnam (1968) of Ryszard Kapuscinski over Angola (1976) getuigenverklaringen van gruwel en oorlog onder het oog van een groot publiek. Inmiddels is verslaggeving van geweld uitgegroeid tot een vak dat zich uitstrekt van banale sensatiezucht tot diepzinnige analyse. Wetenschappers die het beter willen weten dan de serieuze oorlogscorrespondenten moeten van goeden huize komen.

Fieldwork under Fire bevat twaalf stukken waarin cultureel-antropologen vertellen van hun betrokkenheid bij gewapende conflicten in, onder andere, Somalië, Guatemala, Mozambique en Ierland. Sommigen van hen kwamen onwillekeurig in aanraking met het geweld ter plaatse, sommigen zochten het op. De meesten identificeerden zich enigermate met deze of gene partij, bijvoorbeeld met de Palestijnen of de ETA, en een enkeling ging daarin heel ver. Eén artikel, het relaas van een antropologe over de verkrachting die zij te doorstaan had, overtreft alle andere voorbeelden van engagement, omdat het zich opzettelijk beperkt tot de eigen ellendige ervaring.

Antropologen, die meestal wel gedwongen zijn hun neus diep in andermans zaken te steken, hebben van de nood een deugd gemaakt. 'Participerende observatie' heet die pottekijkerij. Provocatie door de volkenkundige gaat vooraf aan de etnografische verleiding waarover Robben spreekt in zijn stuk over de Argentijnse vuile oorlog, het wrede kat-en-muisspel tussen terroristen en militairen dat van 1976 tot 1983 plaatshad. Geprikkeld door de nieuwsgierigheid van de antropoloog probeerden zijn informanten, min of meer bewust, hem voor hun karretje te spannen. Het vuur waar Robben onder lag waren de goede manieren, het intellectuele jargon en de verschrikkelijke belevenissen waarmee respectievelijk de militairen, de theoretici van de stadsguerrilla en de slachtoffers van de militaire junta hun gesprekspartner paaiden. Er was een strijd om de gunst van een buitenlandse arbiter gaande. Robben heeft een scherp oog voor de verkooptechnieken van alle betrokkenen, maar gebruikt dat talent zonder cynisme. Daarom volgt de lezer hem in goed vertrouwen van het literaire café naar de officiersclub.

Loodzware ernst

De andere verslagen in de bundel missen Robbens relativeringsvermogen, of het moest nu net die ene priester-antropoloog uit Guatemala zijn, die droogjes van zijn jarenlange werk onder de vervolgde Maya-bevolking vertelt. Ondanks zijn steun aan het verzet blijft de man nog altijd benieuwd naar het weerwoord van de tegenstander, het militaire regime.

Veel stukken vertonen een gebrek aan interesse in een ander standpunt dan het voor de hand liggende. Maar ergerlijker is de loodzware ernst waarmee de lezer in elk hoofdstuk opnieuw wordt uitgelegd hoe desoriënterend en ontredderend geweld wel is. De indruk dat de schrijvers hun publiek voor wereldvreemde boekenwurmen verslijten, wordt nog versterkt doordat de auteurs hun belevenissen kracht bijzetten met de gespierde retoriek van Sartre, Foucault, Derrida en andere 'rive gauche'-profeten. De verbale krachtpatserij in de teksten smaakt naar de oeroude fascinatie die geweld op intellectuelen uitoefent. Zo zouden wij eens moeten begrijpen, meent Carolyn Nordstrom, dat 'the world is not governed by the positivist dream of rational coherences'. Zij trekt daaruit de conclusie dat de rede geen goed analytisch instrument is en schrijft het woord 'reason' consequent met een streep erdoorheen.

Waar de rede heeft afgedaan, kruipen parti-pris en sentiment ongehinderd het betoog binnen. Van het eerste levert de Kroatische antropologe Maria Olujic een staaltje in haar chauvinistische impressie over 'thuiskomst in Zagreb'. Haar krijgszang is een remedie voor de opvatting dat vrouwen van nature vreedzaam zijn. Een ander geval van emotioneel vooroordeel is de verkrachte vrouw die in woede beweert dat twijfel over de precieze toedracht juist het bewijs van een verkrachting is. Op zichzelf begrijpelijk, maar als zo'n vooringenomenheid de status van redeneren krijgt, dreigt een pervertering van het wetenschappelijke ethos. Met grote zelfbeheersing slagen journalisten er, soms, in het hoofd koel te houden aan het front. Op een enkeling na is dat deze groep volkenkundigen niet gelukt.

    • Samuel de Lange