Betere informatie als les van 'Mexico'

WASHINGTON, 20 APRIL. De ontdekking kwam voor banken en beleggers als een volslagen verrassing. In december 1994 bleek de financiële huishouding van Mexico een chaos, het land overgefinancierd met kortlopend buitenlands kapitaal en de centrale bank nauwelijks meer over deviezenreserves te beschikken. De uittocht uit de peso die daarop volgde noodzaakte een record-reddingsplan van 50 miljard dollar, bijeengebracht door de Verenigde Staten, het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en - met de nodige nukken - de belangrijkste Europese leden van de Bank voor Internationale Betalingen.

Als de signalen over de Mexicaanse economie tijdiger en betrouwbaarder waren geweest, had de internationale financiële gemeenschap de ramp eerder kunnen zien aankomen, en hadden Mexico's crediteuren eerder kunnen ingrijpen, zo constateerden de grote industrielanden vorig jaar juni tijdens een bijeenkomst in het Canadese Halifax. Om een tweede 'Mexico' te voorkomen drongen zij bij het IMF aan op een plan voor verbetering van de informatievoorziening door overheden. De industrielanden zelf doen dat al, maar de meeste ontwikkelingslanden blijven ver achter.

Juist ontwikkelingslanden, en vooral de nieuwe industrielanden, betrekken hun buitenlandse kapitaal steeds meer van de financiële markten. Op een bijeenkomst over informatievoorziening bij het IMF rekende chef-econoom John Lipsky van de Amerikaanse effectenbank Salomon Brothers voor dat vijftien jaar geleden tien procent van de kapitaalstroom naar Latijns Amerika afkomstig was van officiële bronnen (landen en internationale organisaties), tweederde van bankleningen en een kwart via uitgifte van aandelen en obligaties. Voor dit jaar gaat Lispky uit van een netto terugstroom van officieel kapitaal en een toestroom van 22 procent aan bankleningen en 86 procent uit aandelen en obligaties. Het 'snelle geld' van de financiële markten, dat even snel toevloeit als wegebt, domineert het kapitaalverkeer. En dat eist, net als bij beursfondsen, snelle en betrouwbare informatie, zo leert de les van Mexico.

De redenering achter de roep om tijdiger en betere informatie ligt voor de hand: bedrijven die aandelen en leningen op de kapitaalmarkt uitgeven, moeten van hun beleggers regelmatig gedetailleerd informatie geven over hun financiële huishouding. Het IMF, dat voor de nationale rekeningen van zijn leden al een algemeen systeem hanteert, heeft nu een verbeterd systeem ontwikkeld dat een snelle en gestandaardiseerde verspreiding van financiële en economische informatie door overheden nastreeft. De special data dissemination standard (sdds) staat op vrijwillige basis open voor de leden. Voor een aantal kernstatistieken, van economische groei tot deviezenreserves, wordt door de sdds voorgeschreven hoe vaak, hoe snel en op welke manier ze moeten worden gepubliceerd en aan welke normen ze moeten voldoen. Ook moet een kalender met publicatiedata worden gepresenteerd. Met ingang van september van dit jaar zal op een pagina van het World Wide Web op Internet te zien zijn waar van welk landen welke data te vinden zijn. Tot eind 1998 geldt een overgangsperiode waarin de aangesloten landen nog niet volledig aan de standaard hoeven te voldoen.

Hoewel de regeling vrijwillig is, zullen veel IMF-leden er toch aan willen voldoen, voorspelt Mehmet Kaytaz, hoofd van het Turkse bureau voor statistiek. Turkije fungeerde als proeftuin voor het IMF, om te onderzoeken wat buiten de geïndustrilaiseerde wereld haalbaar is bij het verbeteren van statistische informatievoorziening. “Overheden staan voorop om buitenlands kapitaal aan te trekken, maar de statistische bureaus staan vaak nog onderop de begroting”, constateert Kaytaz. Hij denkt dat er nu meer middelen zullen vrijkomen voor de statistische bureaus, als overheden daarmee kunnen toetreden tot de kwaliteitselite van het sdds en zo makkelijker buitenlands geld kunnen aantrekken. Hoewel het IMF zal toezien op de naleving van de sdds-standaard, blijft de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de betrouwbaarheid en kwaliteit van de informatie bij de leden zelf. Het Fonds verwacht dat tot zestig landen in de eerste fase van het systeem zullen meedoen.