Balpenzaak

De zogenaamde balpenzaak heeft heel wat - vaak emotionele - reacties teweeggebracht. Vooral naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, waarbij de verdachte werd veroordeeld, is er veel gezegd en geschreven. Op de rechters die verantwoordelijk waren voor deze beslissing is veel kritiek geuit. Het is niet gebruikelijk dat rechters op deze kritiek reageren. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het ook niet wijs is om dit te doen. Het laatste woord van de rechter moet het vonnis zijn.

Wanneer zoals in de kritiek van prof. Wagenaar in de krant van 5 april wordt gesproken over over roekeloosheid en het wegmoffelen van deskundigenverklaringen, kan een reactie echter niet uitblijven.

Ik citeer de passage waarmee hij zijn artikel opent:

“De feiten zijn bekend: Jim T. werd ervan verdacht zijn moeder te hebben gedood door een balpen op haar af te vuren met een kruisboog. De rechtbank was overtuigd en veroordeelde hem tot twaalf jaar gevangenisstraf.” De interpretatie die Wagenaar hier van het arrest van het gerechtshof geeft, laat ik voor zijn rekening. In het arrest valt in elk geval niet te lezen dat het hof 'helemaal niet overtuigd' was.

Van prof. Wagenaar mag verlangd worden dat hij zich bij zijn kritiek op feiten baseert. Hij schrijft dat de verdachte ten stelligste ontkende. Ik wijs erop dat de verdachte zich tijdens de behandeling van de zaak door de rechtbank in overwegende mate op zijn zwijgrecht beriep en geen enkel inzicht heeft willen geven in zijn contacten met de therapeute, ook niet nadat de voorzitter van de rechtbank hem nog eens uitdrukkelijk had gevraagd zijn processuele houding wat dit betreft te heroverwegen. Hoe Wagenaar kan schrijven dat verdachte ten stelligste ontkende is mij een raadsel.

Dat de rechtbank de verklaring van deskundigen heeft gewogen en kennelijk te licht bevonden, rechtvaardigt in geen enkel opzicht het verwijt van Wagenaar dat de rechtbank verklaringen van deskundigen heeft weggemoffeld. Ook het Hof blijkt later van oordeel dat nader onderzoek niet tot de ondubbelzinnige conclusie heeft geleid dat van een misdrijf geen sprake was.

Aan ieder die de zaak ook maar enigszins heeft gevolgd, zal duidelijk zijn dat het om een bijzonder moeilijke beslissing ging. Dat het Hof tot een nader oordeel is gekomen dan de rechtbank (overigens in een procedure die een ander verloop heeft gekend dan het proces bij de rechtbank) wettigt dan ook bepaald niet het verwijt dat de rechtbank 'roekeloos' te werk is gegaan.

Na de uitspraak en voorafgaand aan het proces bij het gerechtshof heeft een opvallend groot aantal personen zich in de media over deze zaak uitgesproken. Niet zelden werden op basis van onvolledige informatie oordelen over de zaak uitgesproken. Dit terwijl de zaak nog onder de rechter was en derhalve in strijd met de ongeschreven regel dat men zich dan niet of slechts uiterst terughoudend over een zaak uitlaat. Die ongeschreven regel heeft een functie. De rechter moet zo goed mogelijk in staat gesteld worden in onafhankelijkheid en niet beïnvloed door enig 'mediageweld' te oordelen. Ik pleit er voor om genoemde maatregel snel weer in ere te herstellen.

    • Mr. L. Verheij
    • Voorzitter Strafsector Rechtbank den Haag