Abbie de Quant: slotreeks voor fluit en harp; Muzieknoten lezen is als het instuderen van een rol

Fluitiste Abbie de Quant grijpt vaak naar poëzie in muzikale composities. Faverey, Lucebert, en Oosterse muziek zijn haar inspiratiebronnen. Morgen treedt zij met de Japanse harpiste Masumi Nagasawa op in het Concertgebouw in Amsterdam.

Abbie de Quant (fluit) en Masumi Nagasawa (harp): Fireflies, Duo piccolo en Circle pao. Concertgebouw Amsterdam, 21/4. Aanvang 20u15.

Er prijkt een haiku op de titelpagina van de partituur die opengeslagen op de lessenaar staat: Schreiend en schreiend/Blijft het verdwaalde kind toch/Vuurvliegjes vangen. Fluitiste Abbie de Quant studeert nog dagelijks op de razendmoeilijke en haast niet te onthouden passages die Caroline Ansink voorschrijft in Fireflies, een compositie voor fluit en harp die zondag in première gaat. Met name in het slotdeel flitsen de noten als vuurvliegjes voorbij, maar het zijn vooral de interpreten die hier het risico lopen te verdwalen.

Tijdens het laatste concert van het drieluik dat Abbie de Quant verzorgt in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw speelt zij samen met de Japanse harpiste Masumi Nagasawa. Behalve Fireflies zal ook Duo piccolo voor harp en fluit van Ansinks compositieleraar Joep Straesser in première gaan en zal Circle pao, een werk voor harp en zes taperecorders dat de Japanse componist Akira Inoue opdroeg aan Nagasawa, voor het eerst in ons land zijn te beluisteren.

De titel van De Quants serie, Les extrêmes se touchent, komt in dit slotconcert op verschillende manieren tot uitdrukking. Niet alleen worden de werkstukken van de Nederlandse componisten geconfronteerd met die van hun Japanse collega's. Ook worden fluit- en harptonen vermengd met taal en opnames op tape.

De Quant: “Eén van de stukken op het programma is van de Japanner Akira Miyoshi, Ombre scintillante. Miyoshi is heel duidelijk beïnvloed door het Franse impressionisme, terwijl hij zich tegelijkertijd manifesteert als een heel oorspronkelijk Japans componist. In het stuk monden haast onhoorbaar zachte passages uit in emotionele erupties, een tegenstelling die ik typerend vind voor de Japanse wijze van componeren. Verder spelen we Night, een korte compositie van Tôru Takemitsu. Doordat hij speciale grepen voorschrijft, creëert Takemitsu klankkleureffecten die Japanse blaasinstrumenten lijken te imiteren, zoals de rechte bamboefluit - de shaku hachi - of de fluit die wordt gebruikt bij het Nô-theater. Ook dit werk is soms impressionistisch van kleur, maar ik probeer toch heel duidelijk het Oosterse karakter ervan te benadrukken.

“Die twee Japanse stukken zijn bijna een spiegelbeeld van Rime van Ton de Leeuw, een componist die vanuit zijn Westerse achtergrond werken met een sterke Oosterse esthetiek schrijft. Hij gebruikt een soort trommeleffect, dat veel weg heeft van gamelanmuziek en heel meditatief is.” De Quant is Indisch van afkomst. “Ik heb het idee dat ik Oosterse muziek misschien daardoor wel goed aanvoel. Muziek is voor mij nauw verbonden met taal en poëzie. Als je een stuk goed interpreteert, dan is dat vergelijkbaar met het zeggen van een goede tekst of het interpreteren van een rol, zoals een acteur of een voordrachtskunstenaar dat doet.”

De voorliefde voor poëzie van Abbie de Quant bleek al uit de bijzondere cd die zij opnam met bandeonist Dick van Harst. Hierop zijn gedichten van Lucebert (door hemzelf ingesproken) van muziek voorzien door Caroline Ansink. Ook deed zij componist Willem Jeths de suggestie aan de hand in diens Dwaallicht, dat zondag opnieuw zal worden uitgevoerd, teksten te incorporeren van Hans Faverey. Dwaallicht is ontstaan in het kader van een project dat de Rotterdamse Kunststichting organiseerde rondom de Sequenza's van Luciano Berio. Twaalf Nederlanders werden aangezocht een reactie - wat werd genoemd een 'ConSequenza' - te formuleren op deze magistrale solostukken van de Italiaanse lyricus.

“We wilden allebei graag een emotioneel stuk. Willem vindt de fluit van een afstand mooier dan van dichtbij, iets waarmee ik het natuurlijk absoluut niet eens ben. Hij bedacht dat de fluit achter het toneel moet beginnen en dat ik daarna moet spelen in een soort kast, wat feitelijk een kunstobject is met speciale lichteffecten. Uitgangspunt is hier de dichotomie Veraf-Dichtbij, de vervreemding van jezelf en van anderen. Ik word als het ware verleid door die kast, waaruit een gesampelde fluittoon naar me lonkt.”

Dwaallicht is geconstrueerd rondom een voortdurend aantrekken en afstoten. Dit spanningsveld houdt onmiskenbaar verband met het spanningsveld van de erotiek. De Quant: “Ik zag laatst op de televisie een gesprek met choreograaf Hans van Manen. Hij deed daarin de prachtige uitspraak 'erotiek is te laat op tijd komen'. Deze zinspreuk drukt voor mij de essentie uit van juiste timing, die ook in de muziek essentieel is.”

    • Emile Wennekes