Schuilplaats voor geweld werd een rokend inferno

QANA, 19 APRIL. Uit het macabere geraamte van wat gisteren nog een groot golfplaten huis was waarin talrijke Libanese vluchtelingen dachten een veilig onderkomen onder de hoede van de VN-vredesmacht UNIFIL te hebben gevonden, steeg vanmorgen om zes uur nog altijd rook op. “Wij hebben de hele nacht bloed, lichaamsdelen en andere sporen van de slachtoffers verzameld en ze samen met de kleren en hun andere totaal vernielde bezittingen in dit vervloekte huis gegooid. Daarom smeult het nu nog altijd na”, legt een militaire-politieman van de blauwhelmen uit.

Dat geldt ook voor de drie totaal uitgebrande containers die eveneens vluchtelingen herbergden, even verderop in het hoofdkwartier van het Fijische bataljon bij Qana, ten zuidoosten van de zuidelijke havenstad Tyrus. Bij de Israelische beschieting van dit kamp, die een half uur duurde, zijn in die smeulende ruïnes volgens de tellingen van het Libanese Rode Kruis 112 mensen omgekomen en 75 gewond.

Van buitenaf lijkt dit kamp op een grote bunker. Het is voorzien van een pantser van veel beton en staal. Maar binnenin de basis, waar meer dan honderd VN-soldaten ingekwartierd zijn, is alleen sprake van kwetsbare barakken die wat slordig rond een groot betonnen parkeerterrein zijn neergezet.

Na acht dagen van Israelische beschietingen en bombardementen in Libanon hadden achthonderd Libanese vluchtelingen hier bij de VN een schuilplaats gezocht voor het geweld. Na de beschieting komen de straathonden uit de omgeving zich hier tegoed doen aan hun bloed. De stalen poort en de betonnen vloer zijn met vijftien centimeter grote gaten doorboord. Je moet letterlijk door plassen bloed stappen om bij de containers te komen. “Ik heb deze man” - de MP wijst vol afgrijzen naar een vlek halfgeronnen bloed - “eigenhandig uit de eerste container gesleurd tot hier. Maar hij is direct daarna gestorven in mijn armen. Zijn handen en zijn benen waren afgerukt en zijn ingewanden hingen uit zijn buik.”

Het ging om artilleriebommen van zwaar kaliber. En volgens de MP werd er ook gebruik gemaakt van fragmentatiebommen. “Dat was de grote moordenaar”, zegt hij. “Zie je die elektrische kabels die gesmolten zijn? Daaraan is het te wijten dat er zoveel mensen verkoold zijn. De zware elektrische leiding is geraakt en op de metalen containers terechtgekomen.”

Hij vertelt dat zij met de Libanese dorpelingen al jaren als buren en vrienden omgingen en dat hij dit niet langer kan aanzien. In de smeulende resten liggen de halfverbrande resten van vrouwen- en kinderkleren en sandaaltjes voor kleine voeten. De Fijische MP, een boom van een kerel, is gebroken. “Ik wil hier weg. Nu wil ik echt zo snel mogelijk vertrekken”, huilt hij.

Pagina 5: 'Ik heb aan het front gediend maar dit heb ik nog nooit gezien'

De officiële woordvoerder van het Fijibat - de First Fiji Infantry Regiment van UNIFIL, de blauwhelmen die als buffer in het zuiden van Libanon operatief zijn sinds de Israelische invasie van 1978 en waar vroeger ook Nederlandse blauwhelmen deel van uitmaakten, is een van de drie gewonden bij de VN-troepen. Kapitein P. Tikopuadwua staat nu de pers te woord.

“Wij gaan voorlopig verder met ons werk. Wij zijn hier als waarnemers en als beschermers van de burgers. En zij kunnen op ons blijven rekenen. Maar ik kan begrijpen dat er heel wat mensen niet langer bij ons voor bescherming komen aankloppen na deze directe aanval hier.” “Omstreeks een uur 's middags vuurden de gewapende elementen, de Hezbollah, mortiergranaten en katjoesja-raketten af van op de heuvels in het dorp hier. Op enkele honderden meters van onze basis en van beneden in de wadi's, de rivierbeddingen. De Israeliërs antwoordden met een artilleriebombardement dat rond twee uur begon, een paar minuten nadat er een onbemand verkenningsvliegtuigje was gepasseerd”, aldus Tikopuadwua. “Zij troffen eerst het dorp in de omgeving van ons kamp en na twintig minuten richtten zij hun kanonnen op het kamp zelf. De meeste burgers hadden niet de tijd om zich in veiligheid te brengen.

In het Najem-hospitaal op circa vijf kilometer van Qana getuigt Hussein, 21 jaar oud: “Toen de Israeliërs Qana gingen bedreigen en aanvallen zijn wij op de vlucht geslagen en bij de blauwhelmen onderdak gaan zoeken, omdat we er zeker van waren dat wij daar niet zouden worden gebombardeerd.” “Wij zaten daar al zes dagen in het kamp. Hier in het Najem-hospitaal zijn er 38 doden binnengebracht en 25 gewonden. En in het hospitaal Jebel Amal, een kilometer verderop, 60 doden en 49 zwaargewonden. Zes zwaargewonden zijn onmiddellijk naar Sidon overgebracht”, rapporteert dr Izzedin.

Hussein zit met wonden in het gezicht en aan de armen naast het bed van zijn vriend Mohammed, die er veel erger aan toe is, maar af en toe bij bewustzijn komt en zich dan vol in het gesprek stort, om na een paar zinnen weer in te dommelen. “Eerst is er een onbemand spionagevliegtuigje over het kamp gevlogen en ze zijn onmiddellijk begonnen met schieten. Een eerste bom is buiten het kamp terechtgekomen. Wij zochten dekking. Niemand had hier raketten afgevuurd. Neen, wij hebben alleen horen zeggen dat er katjoesja-raketten in de buurt waren.”

“Alleen wie het kamp heeft verlaten is niet geraakt”, zegt Hussein. “De mensen waren zich van geen gevaar bewust. Mijn vriend hier was aan het koken en de kinderen speelden overal in het rond. Niemand heeft het voelen aankomen. Voordien waarschuwden de blauwhelmen ons als er gevaar was, maar nu werden zij ook verrast.” Zelf was hij in het gebouw naast de nu uitgebrande containers. “Een vrouw riep mij dekking te zoeken. Ze zei nog dat ze haar man zocht, vroeg vervolgens om haar vast te houden en het volgende ogenblik vielen haar hersens in mijn handen.”

“Niet iedereen kan geïdentificeerd worden”, zegt dr Izzedin. “Ze hebben fosforbommen gebruikt. Ik ben arts en heb in de oorlog aan het front gediend, maar dit heb ik nog nooit gezien.” “En zijn zoveel gewonden en zoveel doden, deze aanval valt samen met de herdenking van de Holocaust, maar de joden doen die Holocaust nu hier nog eens over. Ze zeggen dat zij de slachtoffers zijn van het nazisme, maar ze zijn zelf de beste leerlingen van de nazi's.”

    • Wilfried Bossier