Rente in Europa naar na-oorlogs diepterecord

WASHINGTON, 19 APRIL. Nog geen dag nadat het Internationale Monetaire Fonds pleitte voor verdere renteverlagingen in het economische probleemgebied Europa, kreeg IMF-directeur Michel Camdessus al zijn zin. Tot verrassing van de financiële markten verlaagde de Duitse centrale bank, de Bundesbank, zijn bodemtarief tot 2,5 procent.

De Bundesbank breekt met de tariefsverlaging het na-oorlogse diepterecord van halverwege de jaren tachtig, en heeft de omstandigheden voor een economische opleving nu zo gunstig gemaakt als maar mogelijk is. Dat geldt ook voor de overige continentaal-Europese centrale banken, die de Duitse tarieven vrijwel allemaal naar beneden volgden. En het geldt al helemaal voor Nederland. Als de ongekende laagte van 2 procent, waar De Nederlandsche Bank de voorschotrente gisteren op stelde, wordt afgezet tegen het jongste inflatiecijfer over maart van 2,1 procent dan volgt daaruit dat het 'reële' tarief waartegen de commerciële banken hun guldens bij de centrale bank betrekken, nu licht negatief is. Het geld is zo bezien gratis. Iets meer dan gratis, zelfs.

Deze uitzonderlijke situatie onderstreept in Nederland de halsbrekende toeren die de Nederlandsche Bank moet uithalen om de krachtige gulden in het gareel te houden tegenover de Duitse mark. Dat gaat, uitgezonderd Zwitserland, minder op voor de rest van Europa, waar de rentes juist hoger zijn dan die in Duitsland. Maar zelfs daar is het niveau in verhouding zeer laag.

De rente op langlopende leningen, die op de obligatiemarkt wordt bepaald is intussen wel fors hoger dan de korte rente die het domein van de centrale banken vormt. In Nederland is de langlopende rente bijvoorbeeld rond 6,4 procent. Dat verschil tussen de kortlopende en langlopende tarieven is opvallend. Dat de centrale banken, met de Bundesbank voorop, zich het kennelijk permitteren de rente zo ver te verlagen wijst er op dat zij voorlopig geen inflatiedruk verwachten. En die is er ook nauwelijks.

De arbeidsmarkt staat er zo slecht voor dat werknemers genoegen nemen met bescheiden loonsverhogingen, die soms de compensatie van de prijsstijging niet eens bijhouden - hoewel dat in Duitsland nog moet worden bezien. De economie in de harde kern van Europa opereert zo ver onder zijn potentie, dat producenten het zich nauwelijks kunnen veroorloven de hogere kosten van lonen en grondstoffen in hun prijzen door te berekenen.

En er spelen andere, structurele factoren een rol. De toegenomen concurrentie zowel door binnenlandse deregulering als door de grotere openheid van de internationale economie en de opkomst van economieën die ver onder het Europese prijsniveau werken drukken de prijzen. En munten van de landen van het blok rond de Duitse mark zijn nog steeds duur, wat terugkomt in lagere invoerprijzen.

Wat weerhoudt de obligatiemarkt er van genoegen te nemen met een lagere rentevergoeding? Het zou kunnen zijn dat de 'markt' beter aanvoelt dan de centrale bankiers dat het eonomische dal gepasseerd is, en naast de economie ook de prijzen kunnen aantrekken. Beleggers in langlopende obligaties zijn zeer gevoelig voor inflatie. Maar de meeste prognoses, ook de recente van het IMF, zien voorlopig geen prijsdruk. Voor Duitsland voorspelt het Fonds dit en volgend jaar een inflatie van 1,5 procent. Dat zijn cijfers waar zelfs Bundesbank-president Hans Tietmeyer glimlachend bij inslaapt.

De reden voor de relatief hoge rente op langlopende leningen moet volgens het IMF, zo bleek deze week, gezocht worden in de wet van vraag en aanbod. De hoge overheidsschulden in Europa worden niet verminderd. Dit jaar wordt gemiddeld een recordhoogte bereikt van 73 procent van het bruto binnenlands produkt. En aan de horizon dreigen hoge financiële verplichtingen omdat vrijwel overal onvoldoende rekening wordt gehouden met de kosten van de vergrijzende bevolking.

In Japan, Duitsland, Frankrijk, maar ook in Nederland overstijgen deze nog ongedekte toekomstige verplichtingen volgens het IMF met gemak de totale omvang van de economie, en zijn groter dan de zichtbare staatsschuld. Een structureel hoog, en bij ongewijzigd beleid stijgend beroep van overheden op de kapitaalmarkt is volgens het Fonds de belangrijkste reden waarom de rente op langlopende leningen niet verder omlaag wil.

Op het vasteland van Europa financieren mensen en bedrijven zichzelf overwegend met langlopende leningen. Een verlaging van de rente daarop heeft een veel heilzamer economisch effect dan de kortlopende tarieven, die het domein zijn van de centrale banken. Die banken hebben hun werk gedaan. De sleutel ligt nu bij een verdere sanering van de overheidsfinanciën, lagere tekorten en het terugdringen van de staatsschuld. Waarmee onderstreept is dat de politiek lang niet alle zeggenschap over de economie verloren heeft.

    • Maarten Schinkel