Ontuchtige pater is geen zondebok

Voorstelling: Dode jongen van Joe Pintauro door Haarlems Toneel. Vertaling: Ernst Kats en Ton Lutz; regie: Ernst Kats; toneelbeeld: Hans Maas en Els Otten; spel: Ton Lutz, Jerôme Reehuis, Vastert van Aardenne, Arnoud Bos, Leo Hogenboom. Gezien: 17/4 Concertgebouw Haarlem. Aldaar: 23 en 29/4 en 2 t/m 31 mei. Info: 023-5420875

Het Haarlems Toneel kan zich in de handen knijpen. Toen het gezelschap vorig seizoen besloot Dode jongen van de Amerikaan Joe Pintauro uit te brengen, kon het niet vermoeden dat de voorstelling een half jaar later opeens hoogst actueel zou blijken. Het is immers niet moeilijk in de voorstelling, over een pater die homoseksuele contacten met zijn pupillen onderhoudt, een verwijzing te zien naar de ontuchtaffaires op middelbare scholen die de laatste tijd dagelijks nieuws zijn.

Het ontstaan van The Dead Boy heeft echter een andere aanleiding: een ontuchtzaak waarbij een Newyorkse priester is betrokken en die zoveel opschudding heeft veroorzaakt dat tot nu toe geen Amerikaanse producent bereid is gevonden het stuk op de planken te zetten. Pintauro moest naar het Concertgebouw in Haarlem komen om de wereldpremière van zijn stuk bij te wonen.

Dat Dode jongen zo gevoelig ligt, is niet alleen terug te voeren op thema's als homoseksualiteit onder geestelijken, machtsmisbruik door de kerk, seks met minderjarigen en de belangstelling daarvoor van de sensatiepers, maar hangt wellicht ook samen met de consideratie die Pintauro toont met alle partijen. Hij poogt de motieven van de betrokkenen bloot te leggen en doet dat zeer aannemelijk. Als toeschouwer wordt men gewonnen voor het idee dat er, althans in dit geval, geen echte zondebok is. Iedereen draagt schuld en iedereen is slachtoffer.

Het aanvankelijk meest evidente slachtoffer, een door Arnoud Bos gespeelde dakloze jongen die door de pater (Leo Hogenboom) uit de goot is gevist, is misschien niet eens het meest tragische. Het is weliswaar schrijnend dat de pater hem 'een gelegenheidszonde' noemt terwijl de jongen dacht dat liefde hem dreef, maar gaandeweg blijkt dat niet de pater maar hijzelf als eerste toenadering heeft gezocht.

Gedurende het stuk, dat de vorm heeft van een flash-back, krijgt ook de pater steeds meer reliëf - en dat is niet dat van een monster. Hij is directeur van een opvanghuis voor zwerfjongeren, iemand met evenveel succes als idealen. Een daarvan is dat hij jongens de warmte en genegenheid wil geven waar hij zelf als jongen naar hunkerde, maar het eindigt ermee dat hij als een gebroken man via een zijuitgang de kerk voorgoed verlaat.

De bisschop (Ton Lutz) leunt zwaar op de pater en neemt hem een tijd lang in bescherming tegenover een journalist (Vastert van Aardenne) die op de geruchten is afgekomen. Als de vreselijke feiten boven tafel komen, botst de ethiek van de kerk met de beroepsethiek van de media. De bisschop doet een klemmend beroep op de journalist de zaak in de doofpot te stoppen omdat openbaarmaking ervan niet alleen de naam van de katholieke gemeente zal schaden maar ook het daklozenproject in gevaar brengt.

De spanningen en emoties lopen flink op, maar nooit gaan de acteurs over de schreef. Er wordt over de gehele linie uitstekend gespeeld, met een soort ingehouden passie waarbij Jerôme Reehuis voor een lichte noot zorgt.

Ernst Kats, die al eerder teksten van Joe Pintauro op het toneel bracht en Dode jongen met behulp van Ton Lutz vertaalde en bewerkte, heeft de voorstelling strak en sober geregisseerd. De helderheid van zijn enscenering is terug te vinden in het decor dat met ramen zonder gordijnen uitzicht biedt op het straatbeeld buiten. Hier valt het licht naar binnen dat de de kerk zo node mist.

    • Noor Hellmann