Niet thuis aan de rive gauche; Biografie van Boris Vian, schrijver, trompettist en jazzliefhebber

In zijn biografie van Boris Vian geeft Philippe Boggio een nauwkeurig gedocumenteerd beeld van Saint-Germain-des-Prés, met zijn allegaartje aan artistieke en intellectuele bewoners. “Wie zag wie, waar, op welke avond, wat voor indruk maakte Gréco toen niemand nog van haar had gehoord?”

Philippe Boggio: Boris Vian, een biografie. Vert. Théo Bucking. Uitg. De Prom, 384 blz. Prijs ƒ 69,50.

In de jaren zestig, toen de verbeelding aan de macht kwam, werd Boris Vian postuum verklaard tot de legendarische voorloper van de beweging die later werd samengevat als '1968', maar die in wezen natuurlijk al jaren eerder op gang was gekomen. Veel droeg ertoe bij om hem tot die legende te maken. Zijn vroege dood in 1959, tijdens de voorpremière van de film J'irai cracher sur vos tombes (Ik zal spuwen op jullie graf), ten gevolge van de hartkwaal waarvan hij van kindsbeen af last had gehad, zijn eigen voorliefde voor mystificaties - hij publiceerde bijvoorbeeld onder vijf verschillende namen - zijn pacifisme en zijn unieke mengsel van romantiek, zwarte en absurdistische humor en salon-anarchisme. Maar een grote rol speelde zeker ook dat Vian in de zestien jaar dat hij actief was, tussen 1943 en 1959, met een obsessieve energie probeerde alles te doen en alles tegelijk te doen, een soort 'homo universalis' te zijn.

Op het moment dat Vian overleed was hij buiten de kleine kring van Saint-Germain-des-Prés eigenlijk alleen bekend als 'de pornograaf'. Die dubieuze faam was gebaseerd op zijn proces en veroordeling vanwege de roman J'irai cracher sur vos tombes, die hij in 1946 onder het pseudoniem Vernon Sullivan als een vertaling uit het Amerikaans had gepubliceerd. Het ging om een mystificatie, die was begonnen als een uit de hand gelopen grap.

Franse uitgevers zochten op dat moment naar 'hard-boiled' Amerikaanse actieromans in de trant van James Hadley Chase, Mickey Spillane of Dashiel Hammett, die een nieuwe trend waren en goed verkochten. Alles wat Amerikaans was, was in de mode, van jazz tot Amerikaanse sigaretten en rum-cola. Vian was uitstekend op de hoogte van dat Amerikaanse genre en bood, toen hem gevraagd werd of hij in een vertaling was geïnteresseerd, aan er zelf een te schrijven. De fictieve 'Vernon Sullivan' kreeg een hele biografie mee, van een zwarte Amerikaanse schrijver die in zijn vaderland onder rassenhaat te lijden had en daarom niet in eigen land kon publiceren. De sadistische en 'felrealistische' seksuele passages in de roman zijn zo overtrokken dat het in feite om een briljante pastiche van het hard-boiled genre gaat. Dit boek was het enige van alles wat Vian had geschreven dat hoge oplagen haalde en hem ook werkelijk geld opleverde. Onder de naam Sullivan zou hij in drie jaar tijds in totaal vijf van dit soort romans schrijven.

Vians 'serieuze' romans uit die tijd: Vercoquin et le plancton, dat het milieu van Saint-Germain-des-Prés vlak na de oorlog beschrijft, de poëtische en surrealistische liefdesroman L'écume des jours, waarin 'Jean-Sol Partre' opduikt, het mysterieuze L'automne à Pekin en later L'herbe rouge en L'arrache coeur - verkochten tijdens zijn leven niet of nauwelijks. Zijn vreemde humor en absurdistische romantiek waren te ingewikkeld voor een groot publiek, maar vonden wel weerklank bij een aantal ingewijden. De belangrijkste daarvan was Raymond Queneau, redacteur bij Gallimard, met wie Vian zijn korte leven lang bevriend zou blijven.

Vian moet altijd geweten hebben dat hij niet oud zou worden en wellicht was dat de reden voor zijn koortsachtige activiteit, die zich niet tot het gebied van de literatuur beperkte. In die zestien jaar tussen 1945 en 1959 hield hij zich, behalve met het schrijven van deze twee soorten romans, intensief bezig met jazz - zijn grote liefde. Hij speelde professioneel trompet, ondanks zijn hartkwaal en ademnood, kende elke grote Amerikaanse jazzmusicus die Parijs bezocht en schreef natuurlijk over jazz, schreef dat de stukken eraf vlogen, want hij was een vurig pleitbezorger van de 'echte', de originele Amerikaanse jazz uit de jaren twintig die hij in Frankrijk meer en meer overwoekerd zag door 'jazz met violen'.

Van beroep was hij ingenieur en hij werkte, hoewel zonder echte roeping, ook een aantal jaren als zodanig terwijl hij zich intussen met tomeloze, vaak teleurgestelde, ambitie op het ene artistieke object na het andere stortte. Filmscenario's ontstonden naast merkwaardige neo-kubistische schilderijen en verschillende toneelstukken, chansonteksten - het beroemde Le déserteur is van zijn hand - en heel veel journalistieke teksten van uiteenlopende aard die, evenals zijn vele vertalingen, brood op de plank moesten brengen.

In de laatste jaren van zijn leven keerde hij zich af van het literaire en existentialistische milieu, vermoedelijk omdat hij zich als serieus schrijver miskend voelde. Hij werd artistiek directeur van de platenmaatschappij van Philips, waar hij in 1955 was binnengehaald om een serie jazzplaten uit te geven, en ging voornamelijk om met musici en zijn vrienden uit het Collège des Pataphyciciens - de club van bewonderaars van Alfrèd Jarry. Door een speling van het verschenen al een paar jaar na zijn dood L'écume des jours en Automne à Pekin als pockets in de Franse reeks 10/18. Het werden 'cultromans' voor een generatie die toen omstreeks de twintig was.

In de onlangs vertaalde biografie van Vian, die Le Monde-redacteur Philippe Boggio heeft gebaseerd op archiefmateriaal van de Fondation Boris Vian en dat bestaat uit gesprekken met familieleden, Vians eerste en tweede vrouw, zijn zoon Patrick en de paar vrienden uit die tijd die nog in leven zijn, worden al deze activiteiten tot in de kleinste bijzonderheden uit de doeken gedaan.

De biografie was aangekondigd als een boek dat 'dramatische gebeurtenissen en geheimen' onthult, maar in dat opzicht valt het boek nogal tegen. Ik heb er weinig in kunnen ontdekken dat werkelijk onbekend was, of het moeten Vians depressieve dagboekoverwegingen zijn uit de periode 1951-1953, toen hij bezig was de scheiding van zijn eerste vrouw Michelle te verwerken, en de kortstondige, tot niets leidende, verliefdheid op Hildegard Knef vlak voor zijn dood.

Er was eenvoudig niet zo veel onbekend over Vians leven en dat leven op zich is niet zo verschrikkelijk interessant. Wat boeiend is aan Vian heeft hij zelf opgeschreven en dat is, grotendeels na zijn dood, vrijwel integraal gepubliceerd. Boggio ziet ook geen kans om werkelijk een verbinding tussen leven en werk tot stand te brengen. Nu hoeft dat ook niet, maar waarom dan een biografie schrijven?

De indruk ontstaat dat Boggio deze biografie als aanleiding gebruikt om een extreem nauwkeurig gedocumenteerd beeld van Saint-Germain-des-Prés in de jaren 1944-1950 te geven. Het boek kan dus een goudmijn zijn voor ieder die exact wil weten hoe die rive gauche, met zijn allegaartje aan artistieke en intellectuele bewoners, zich in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde tot het over de hele wereld bekende existentialistische broeinest.

Die belangstellende lezer moet dan wel het geduld hebben zich door de rijstebrijberg van feiten en feitjes heen te werken, want Boggio heeft erg veel woorden nodig om zijn verhaal te vertellen en laat syntheses of concluderende samenvattingen achterwege. Voor de echte, weemoedige liefhebber is er veel in te vinden - wie zag wie, waar, op welke avond, wat voor indruk maakte Gréco toen niemand nog van haar had gehoord, dat soort dingen. In dit verband moet existentialisme overigens niet worden opgevat in filosofische zin, maar als levenshouding. Een tijdgeest, die maar kort in authentieke vorm bestond, alvorens die 'levenshouding' een mode werd en caves zoals de Tibou, en al snel beroemde café's als Flore, Les Deux Magots en Lipp, werden overspoeld door nieuwsgierigen en rijkeluiskinderen van de rive droite op hun uitgaansavondjes.

Een ander bezwaar van deze biografie is dat er merkwaardige accenten worden gelegd doordat Boggio opzichtig probeert zaken te dramatiseren die niet dramatisch zijn. Zo lezen we, nadat veertig bladzijden lang het beeld van een gelukkige, nagenoeg zorgeloze jeugd in het idyllische Ville-d'Avray, met een schat van een vader en een wat overbezorgde moeder, is geschetst, opeens medelingen als 'Michelle en Boris trachten te ontsnappen aan de duistere jaren van hun jeugd'. Dat is irritant. Het boek is gelukkig voorzien van een namenregister en een bibliografie - al is het weer onduidelijk waarom bijvoorbeeld de vertaling van de jazz-kronieken niet vermeld is en de vertaling van J'irai cracher sur vos tombes in de tekst consequent Ik zal spuwen op jullie graven wordt genoemd. Wat ook na lezing van deze biografie een mysterie blijft, is hoe Vian, die naar afkomst en opleiding eigenlijk beter bij de rive droite paste en in het Saint-Germain-des-Prés-gezelschap altijd wat buiten de existentialistische kringen bleef vallen - een melancholieke en 'keurige' eenling - zozeer de verpersoonlijking van die historische bloeiperiode van de rive gauche heeft kunnen worden. Vian voelde perfect de geest aan van een tijdperk dat nog moest komen, en dat eigenlijk pas in de jaren zestig aanbrak. Misschien kan dat ook maar beter een mysterie blijven, Vian zelf had het ongetwijfeld zo gewild.

    • Nelleke van Maaren