Kamer onderschrijft IRT-rapport, nu de maatregelen nog

DEN HAAG, 19 APRIL. De leden van de commissie-Van Traa konden gisteren opgelucht uitblazen in één van de etablissementen aan het Haagse Plein. De behandeling de afgelopen dagen in de Tweede Kamer van het eindrapport Inzake Opsporing was naar wens verlopen. Afgezien van de grootste oppositiepartij CDA onderschreef het parlement de bevindingen van de enquêtecommissie.

De erkenning van de drievoudige crisis in het justitie-apparaat - van gezag, normering en organisatie - houdt in dat de Kamer zich ook heeft gecommitteerd om maatregelen te nemen. Over de vraag om welke maatregelen het gaat, zowel nieuwe nieuwe regels voor de opsporing als het eventuele ontslag van verantwoordelijken, komt men te spreken in de tweede week van mei, tijdens het voorziene debat met de betrokken bewindslieden.

Commissievoorzitter Van Traa gaf woensdagavond vier uur college over het Wetboek van Strafvordering-nieuwe stijl. Gisteren onderbrak hij een debatje tussen GroenLinks-woordvoerder Sipkes en haar PvdA-collega Kalsbeek met de mededeling dat hem een brief van de minister van justitie “had bereikt” waarin de bewindsvrouw de voorzitter van het college van procureurs-generaal, Docters van Leeuwen, meedeelt dat zij van plan is schoon schip te maken in het Openbaar Ministerie. Daarmee verdween de academische sfeer voor een moment, zoals steeds wanneer “personele consequenties” in het verschiet komen in de Kamer. GPV-fractievoorzitter Schutte herinnerde zijn collega's er tevergeefs aan dat het onthoofden van schuldigen niet de reden was geweest voor het instellen van de enquête. Maar de meeste fracties vinden dat het metaforische bloed moet vloeien waar de onderlinge relaties in de organisatie van politie en justitie sinds het allesverslindende IRT-beest verziekt zijn. Die mening wordt nu gestaafd door het schrijven van minister Sorgdrager.

In zijn pleidooi verzette Van Traa zich tegen al diegenen binnen en buiten de Kamer die zijn aanbevelingen 'verstikkend gedetailleerd' hebben genoemd. De vrees van korpsbeheerders, korpschefs en leden van het OM dat de strikte normering zoals voorgesteld door Van Traa de opsporing zou 'dichtspijkeren', ontkrachtte de commissievoorzitter. Volgens hem is het tegendeel het geval: de opsporingsinstanties krijgen duidelijkheid waar nu geen duidelijkheid is, namelijk in de zogenoemde 'pro-actieve' fase van het onderzoek. En op onderdelen zelfs meer bevoegdheden.

Het dissidente commissielid Koekkoek (CDA) mocht bij herhaling uitleggen waarom hij als enige voorstander is van ruimere mogelijkheden om illegale goederen door te laten bij de opsporing van zware misdadigers. Hij betoogde dat het onder voorwaarden zelfs mogelijk moet zijn de springstof Semtex of snelvuurwapens door te laten. Met dat betoog bewerkstelligde hij het omgekeerde resultaat, zoals gisteren bleek uit de woorden van RPF-fractievoorzitter Van Dijke. Deze zei dat hij lang getwijfeld had over de strikte normering zoals voorgesteld door de commissie. De perspectieven die Koekkoek schetste (“een huis laten opblazen om de vernietiging van een stad te voorkomen”) had hem van die twijfel bevrijd: de norm moet strikt. “Waarvoor dank, heer Koekkoek”, aldus een ironische Van Dijke. Van Traa stipuleerde later nog eens dat opsporingsdiensten te zeer gefixeerd zijn geraakt op het pakken van “grote vissen”. “Maar de eerste taak van de overheid moet toch zijn de burger te beschermen tegen ernstige misdrijven,” aldus Van Traa.

Tijdens het debat stonden PvdA en CDA op het inmiddels klassieke breukvlak tegenover elkaar: Van Traa als voorvechter van rechtstatelijke normering ter bescherming van de burger, CDA-woordvoerder Hillen als strijder voor ruimere bevoegdheden voor opsporingsinstanties. En waar de PvdA'er de nadrukt legt op de crisis in de opsporing, waarschuwt de christendemocraat vooral voor het grote gevaar van de georganiseerde misdaad.

De Kamer zal het uiteindelijk eens moeten worden over alle aanbevelingen van de commissie, waarvan een deel de komende jaren tot wetgeving moet worden omgesmeed. Politiek het meest beladen blijft toch de vraag hoe zwaar de geschetste misstanden in het rapport de betrokken bewindslieden als hoogst verantwoordelijken moeten worden aangerekend.

D66-minister Sorgdrager draagt haar verleden met zich mee als procureur-generaal in Arnhem en Den Haag en zou medeverantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de uit de hand gelopen praktijk. Ook het verleden van staatssecretaris Schmitz (justitie), wier portefeuille overigens niets uitstaande heeft met het opsporingsbeleid, is belast nu is vast komen te staan dat zij als burgemeester van Haarlem medeverantwoordelijk was voor de praktijken van Haarlemse politiemensen.

Het blazoen van VVD-minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken), als Kamerlid indiener van de motie die uiteindelijk leidde tot de parlementaire enquête, is tot op heden onbevlekt. Hij heeft de afgelopen twee jaar met succes geprobeerd alle bemoeienis met IRT-gerelateerde zaken te omzeilen. De onwil om maatregelen te treffen tegen verantwoordelijken bij de politie dreigt zich nu echter tegen Dijkstal te keren.

    • Rob Schoof
    • Frank Vermeulen