IRT-debat: Dijkstal laat politie nog ongemoeid

DEN HAAG, 19 APRIL. Minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) vindt het nog te vroeg om maatregelen te nemen tegen politiemensen die medeverantwoordelijk zijn geweest voor het ontstaan van de 'crisis in de opsporing', zoals gesignaleerd door de enquêtecommissie-Van Traa.

Dijkstal wil eerst weten wat het officiële standpunt van het voltallige kabinet is over het rapport-Van Traa en het rijksrecherche-onderzoek naar de criminele-inlichtingendienst (CID) van de Haarlemse politie. Daarin werd een hard oordeel geveld over politie en justitie ten tijde van de IRT-crisis begin 1994.

Tijdens het driedaagse debat tussen de Tweede Kamer en de commissie-Van Traa, dat gisteravond werd afgerond, bleek dat de justitie-specialisten van de fracties van het kabinet willen weten welke personele consequenties Dijkstal en minister Sorgdrager (Justitie) verbinden aan de conclusies uit de rapporten van Van Traa en de rijksrecherche. Vooral de handelwijze van de Haarlemse korpschef Straver werd daarin veroordeeld.

De Tweede Kamer stemde in met de hoofdlijnen van het rapport en dringt nu aan op personele maatregelen om het gezag van het opsporingsapparaat en het vertrouwen in politie en justitie te herstellen. Commissievoorzitter Van Traa sprak in zijn rapport bovendien van een “cultuuromslag” die nodig is bij politie en justitie. Van Traa vindt dat personele consequenties “er absoluut bijhoren”, zo zei hij woensdag in de Kamer.

Terwijl gisteren bekend werd dat Sorgdrager een onderzoek laat instellen naar het handelen van betrokken leden van het openbaar ministerie, liet Dijkstal weten dat hij “nog niet toe” is aan personele maatregelen. Woensdag zei de bewindsman nog dat hij geen maatregelen kon nemen tegen politiemensen omdat hij daarvoor te weinig mogelijkheden heeft. Tijdens het debat met de Kamer zei Van Traa dat hij het daarmee niet eens was.

De Tweede Kamer zal een motie van Kalsbeek (PvdA) steunen waarin het presidium van de Kamer wordt opgeroepen te onderzoeken hoe het parlement in de toekomst beter kan controleren of bepaalde besluiten en wetten het beoogde effect hebben gehad. Dat zou kunnen gebeuren door speciale parlementaire rapporteurs te benoemen voor bepaalde beleidsterreinen.