Ik zoek zuiverheid in mezelf; Gesprek met schrijver Oscar van den Boogaard

“Ik beleef soms zoveel, en dat wil ik dan allemaal door dat kleine pennetje op papier zetten”, zegt schrijver Oscar van den Boogaard. De vier boeken die hij schreef zijn steeds met eigen belevenissen verbonden. Dat geldt zelfs voor 'De heerlijkheid van Julia', zijn nieuwste, voor de Libris-literatuurprijs voorgedragen, roman waarin een middelbare Belgische vrouw gehoor geeft aan een onbestemd verlangen. “Ze leeft toe naar de extase, ze maakt het mee en ze komt er van bij.”

Oscar van den Boogaard: De heerlijkheid van Julia. Uitg. Querido, 285 blz. Prijs ƒ 39,90.

Oscar van den Boogaard (31) is een produktief schrijver. In vijf jaar tijd verschenen van hem vier romans. Maar pas zijn laatste boek De heerlijkheid van Julia (1995) werd een groot succes. Het werd genomineerd voor De Gouden Uil, moest binnen een paar maanden worden herdrukt en is nu een van de belangrijkste kanshebbers voor de op 8 mei te vergeven Librisprijs.

Wie de roman gelezen heeft, zal zich daar niet over verwonderen. De heerlijkheid van Julia is een opmerkelijk sprankelend en vitaal boek. Het heeft een duidelijke en doordachte thematiek, die aansluit bij het eerdere werk van de schrijver en is zo beeldend en lyrisch geschreven dat zelfs de meest starre lezer er niet onbewogen onder zal blijven. Van den Boogaard heeft zich, naar hij zegt, dan ook meer dan in zijn eerste drie boeken uitgesloofd om het zijn lezers naar de zin te maken. “Ik vond dat ik nu maar eens een heel lyrisch en poëtisch boek moest schrijven. En daar ben ik heel ver in gegaan. Ik heb gestrooid met metaforen en symbolen. Ik dacht: laat ik ze maar een overdosis geven.”

Het opvallendste aan het boek is misschien nog wel de stijl. Die mocht, zoals hij zegt, deze keer feestvieren. Bijna elk gedeelte van de roman heeft een andere toon en een ander ritme. Het begint met een dromerige, lyrische proloog, daarna komt een stukje streekroman, er zijn authentieke krantenberichten opgenomen. Maar het mooiste zijn naar mijn idee de half experimentele, 'explosieve' stukken, waarin de schrijver zich overgeeft aan eindeloze opsommingen, rituele herhalingen of zinnen die bladzijden lang doorlopen. Wanneer halverwege het boek de monteur van de Miele-wasmachine voor de jaarlijke onderhoudsbeurt bij de vrouwelijke hoofdpersoon zal langskomen, stelt deze zich zo voor hoe ze zich met hem verenigen zal: 'Julia wilde het liefst de rits van l'homme au miel omlaagtrekken en bij hem binnengaan, dit zou toch een eerlijke beloning zijn voor de ijverigste huisvrouw ter wereld, of een troostprijs voor de ongelukkigste van allen, wat maakte het uit wat de reden was van deze beloning, het gevolg was hoe dan ook dat ze in hem zou opgaan, want ze zou de rits van zijn overall achter zich dichttrekken, samen met hem in de machine stappen, en eindeloos draaien, spoelen, centrifugeren, en zich middelpuntvliedend met hem, haar allerzoetste honingman, verenigen.'

Pajottenland

Het verhaal dat in De heerlijkheid van Julia wordt verteld, is op zichzelf tamelijk licht. Het beschrijft het huwelijk van een 48-jarige vrouw, Julia, die, als haar kinderen het huis uit zijn, erachter komt wat zij tekort komt. Ze heeft een prettig leven geleid, met haar oudere man en haar twee kinderen, maar het heeft haar naar haar gevoel aan hoogtepunten ontbroken, aan 'extase'. In het Vlaamse Pajottenland waar ze met haar man een rustiek boerderijtje bewoont, heeft ze daarom haar oude buurman verleid, waarmee het verlangen naar meer voorgoed is gewekt. Tijdens een korte crisis koopt ze voor haar laatste spaargeld een modern kunstwerk dat over vruchtbaarheid gaat en reist haar promiscue zoon achterna, naar het verre, sensuele Brazilië.

Het boek eindigt met een droom waarin de vrouw alle elementen van haar verlangen in elkaar laat overvloeien. 'Zonnige heuvels golfden als een kalme zee waarin ze niet kon verdrinken, velden paardenbloemen spreidden zich in het oneindige uit. Er wachtten geen broden in ovens, geen appels in bomen, geen oude vrouwtjes. (-) Julia kreeg vaart, kwam los van de grond, steeg op.'

Het is een slot dat de symbolen bevat die in de loop van het verhaal zijn opgevoerd. De zeeën die ons verbinden met de tijd van de eerste levende wezens op aarde. De paardenbloemen die op het voorjaar wijzen, op vruchtbaarheid, en op het kostbare kunstwerk dat de vrouw heeft gekocht. En de broden en appels, die afkomstig zijn uit het sprookje van Vrouw Holle dat in het boek zo'n belangrijke rol speelt.

Julia, zegt Van den Boogaard, gaat onder meer over het heimwee naar de kindertijd en naar nog vroeger. De vrouw over wie het gaat, lijdt onder een diep en hevig gemis, een onbestemd verlangen. Ze snakt naar symbiose, naar een opgaan in het al. In de proloog van het boek is te lezen hoe ze met een jij-figuur zou willen samensmelten: 'Hij moet boos zijn geweest, die god van ons, toen hij ons van elkaar scheidde. Maar met jou wil ik het opnieuw proberen (-) ik gewoon in jou, samen een liefdeshoed, met witte stippen, een paddestoel, een paddestoelenpaleis.'

Volgens de schrijver is het eigenlijk een boek over naïveteit. Maar naïveteit op een naïeve manier verteld is volgens hem nooit interessant. Hij heeft daarom geprobeerd een kader te vinden waardoor het betekenis kreeg. Hij heeft de naïveteit een plaats willen geven tussen andere gevoelens. “Het is mijn vak om structuren aan te wijzen in de chaos, en dan wijs ik liefst interessante structuren aan.”

Passie

Het verlangen naar eenwording, liefde en geborgenheid dat Van den Boogaard in zijn boek aan zijn hoofdpersoon toeschrijft, is een constante in zijn werk. Ook in zijn eerdere boeken, met name in Bruno's optimisme uit 1993, kwam het uitgebreid voor. Het 'oceanisch' verlangen, zoals hij het daar noemt, kan in vele vormen naar voren komen. Het kan de vorm hebben van kosmische of religieuze ervaringen ('Julia heeft soms iets van een mystica'), maar ook van ongeremde liefde of hevige passie.

Soms komen al deze facetten in één top-ervaring samen. Wanneer de vrouw heftig naar haar buurman op het land verlangt, schrijft Van den Boogaard: 'Machtige oude eik waaromheen de kosmos is gegroepeerd, laten jouw wortels en takken mij omstrengelen en jouw bladeren mij overwoekeren, laten jouw wijsheid en eeuwigheid mij opnemen, laat mij leven binnen in jouw schors, laat jouw hars zich vermengen met mijn bloed, laat jouw loof mijn krans, de elfenbankjes mijn sieraden, het mos ons bruidsbed zijn, laten wij steeds dieper wortelen en steeds verder reiken naar de hemel, laat jouw prachtige glanzende eikel mij vervullen en laat de maretak ontspringen uit onze heerlijke kus'.

De strekking van de roman zou, enigszins plat uitgedrukt, kunnen worden samengevat met de stelling dat het enige wat een vrouw gelukkig maakt 'een goeie beurt' is. Pas door zich zwijgend aan haar gezichtsloze buurman, de grote boer Omer over te geven - of aan een gigolo op het Braziliaanse strand - lijkt Julia immers haar hoogste vervulling te bereiken. Van den Boogaard schijft daar: 'Hier in de oorsprong wilde ze blijven. Bevrijd van beelden zonder weten, kennen, bezitten. Hij moest over haar beschikken. Want waar Omer was, daar mocht niets zijn. Want hij werd niet gekend tenzij met niets. Afgrond in afgrond, duisternis in duisternis, niet in niet, dit was het licht, de volledige vervulling'.

Maar Van den Boogaard wijst er op dat het hem in de eerste plaats om de verbeeldingskracht is gegaan, niet om de fysieke beleving van de lust. “Julia wil genomen worden op een harde manier, ze wil beestachtige seks, machinale seks, het grovere werk. Maar het gaat erom wat ze in die seksualiteit kan beleven. Ze heeft bijvoorbeeld geen oog voor haar omgeving, haar minnaars. Haar omgeving wordt alleen maar ingeschakeld bij haar verlangen. Dat is dan ook haar grote kracht. Ze is een heel gewone vrouw, met heel gewone ervaringen, maar in haar hoofd weet ze daar een mythe van te maken. Door haar verbeelding wordt die mythe net zo echt als de werkelijkheid.

“Julia wil onder de huid van mannen verdwijnen, en dat kan ze alleen via de verbeelding. De buitenwereld noemt dat misschien 'promiscue', maar voor haarzelf is het een mythische zegentocht, als ze zo'n man verovert. Ze leeft toe naar de extase, ze maakt het mee en ze komt er van bij. Dat is de golfbeweging waaraan ze haar geluk meet.”

Badkamer

De Nederlander Van den Boogaard drijft sinds vier jaar met zijn vriend Jan Mot een kunstgalerie in Brussel. Zojuist hebben ze een monumentaal nieuw pand betrokken, in de op de Beurs uitkomende Dansaertstraat. Over een week, op 24 april, moet hier de nieuwe vestiging van Galerie Mot & Van den Boogaard worden geopend. Tijdens ons gesprek wordt er nog druk geschilderd, getimmerd en geschuurd. Hij vertelt hoe in hun vorige huis de tentoonstellingen altijd in de woonkamer werden gehouden. “Als er bezoekers kwamen, moest ik altijd snel mijn bureau opruimen en mijn computer in de badkamer zetten. En omdat de mensen vaak van ver kwamen, bleven ze ook meteen heel erg lang. Ik was altijd op de vlucht.”

Aan De heerlijkheid van Julia is daardoor op de meest uiteenlopende plaatsen geschreven: in Brussel, in Amsterdam, waar Van den Boogaard een souterrain op de Prinsengracht heeft aangehouden, in Rio de Janeiro, waarvoor hij een reisbeurs kreeg van het Fonds voor de Letteren, en in een huisje in het Pajottenland waar hij op de vlucht voor het galerieleven een tijd een vast onderkomen vond. Al die plaatsen zijn op één of andere manier ook in het boek terug te vinden. Zo stond Van de Boogaards vroegere buurman uit het Pajottenland model voor de oude bronstige boer Omer, met wie Julia zich in het boek zo intens wilde verenigen - met het gevolg dat hij nu al verschillende keren door televisieploegen als oude geilaard te kijk is gezet.

Het verlangen naar de Kongo waaraan Julia lijdt, zo vertelt Van den Boogaard, gaat terug op zijn eigen herinneringen aan zijn kindertijd. Net als Julia beleefde hij zijn meest gevoelige jaren in de tropen. Tussen zijn eerste en vijfde was zijn vader militair in Suriname. Het was de gelukkigste tijd voor het gezin Van den Boogaard. Net als zijn hoofdpersoon ervoer hij zijn vertrek daar als een verlies van het paradijs. “Ik herinner me nog hoe boos ik was toen we daar weg moesten. Mijn vader ging een paar jaar later in zijn eentje terug en wij leefden voornamelijk voort in de verhalen over Suriname.”

Van den Boogaard had al vroeg het idee dat hij de wereld met literatuur moest terugveroveren. Op twintigjarige leeftijd stuurde hij zijn eerste manuscript al aan de legendarische uitgever Johan Polak. Hij kende diens uitgeverij, Athenaeum-Polak & Van Gennep, van de schitterende deeltjes in de boekenkast van zijn moeder, en zijn werk zou daar, dacht hij, misschien wel goed tussen passen. Zijn manuscript had hij met veel jeugdige overmoed De Onsterfelijken gedoopt.

Famielje

Nu gelooft hij dat zijn boek voornamelijk uit pathetisch puberproza heeft bestaan. Maar de uitgever stond er om de één of andere reden niet afwijzend tegenover. Hij nodigde de schrijver uit voor een etentje, mits hij, zoals hij schreef, de zeventig nog niet gepasseerd was. En na afloop van een gesprek dat voornamelijk over andere dingen dan het manuscript ging, liet hij weten dat hij 'alles' had om een groot schrijver te worden. Polak: “Ten eerste ben je bijzonder aantrekkelijk. Ten tweede kom je uit een goede famielje. En ten derde heb je veel talent.” Tot Van den Boogaards verbazing kreeg hij een boekenlijst met honderdtwintig titels, beginnend bij Catullus, met het advies die eerst maar eens te lezen voor hij weer met iets kwam. Van den Boogaard: “Ik hoefde van Polak geen haast te maken. Een schrijver moest volgens hem toch eerst dood zijn voor hij aan de bak kon komen. Later realiseerde ik me dat inderdaad vrijwel alle schrijvers in zijn fonds dood waren.”

Polaks raad om met publiceren van boeken geen haast te maken heeft Van den Boogaard niet opgevolgd. Dat zou te zeer tegen zijn aard en zijn ambities zijn ingegaan. Hij is iemand die veel en snel wil schrijven. “Mijn snelheid komt niet voort uit oppervlakkigheid, maar uit noodzaak en energie. Ik heb een enorme nieuwsgierigheid en zin om te schrijven.”

Van den Boogaard denkt dat het er mee te maken heeft dat hij in zijn schrijven direct zijn fysieke ervaringen volgt en omgekeerd. Zijn werk is rechtstreeks verbonden met wat hij dag in dag uit beleeft. “Ik schrijf niet, zoals sommige andere schrijvers, uit mijn herinnering, ik hoef niet met veel moeite op mijn dertigste mijn veertiende levensjaar op te roepen. Ik ga uit van wat ik meemaak. Ik beleef soms zoveel, en dat wil ik dan allemaal met dat kleine pennetje op papier zetten.”

In het boek moedigt Julia tijdens een wedstrijdje 'bollen', een folkloristische Vlaamse sport, een andere vrouw aan zich wat makkelijker aan haar vleselijke lusten over te geven. 'In dit ene leven moet je al je verlangens waarmaken', hoort Julia zichzelf zeggen. En op de tegenwerping dat de vrouw niet al haar verlangens kent, antwoordt ze: 'Je moet ze onderzoeken'. Het is een advies dat Van den Boogaard zichzelf al vaak moet hebben gegeven. “Het is onbegrijpelijk dat mensen, als ze weten dat ze maar één keer leven, toch zo weinig met hun verlangens doen, zo weinig stilstaan bij de vraag wat ze willen. Voor veel mensen houdt die vraag op, op het moment dat ze een beroepskeuze hebben gemaakt en een partner hebben gevonden.”

Zes jaar geleden, op de dag dat hij 25 werd, besloot Van den Boogaard zich volledig aan het schrijven te gaan wijden. Hij zegde zijn baan als stagiair bij een Brusssels advocatenkantoor op en schreef de roman Dentz, die - weer - bij Johan Polak terechtkwam. Maar deze keer gaf de uitgever het manuscript met een warme aanbeveling door aan zijn opvolger in de uitgeverij. In 1990 verscheen het debuut in een luxueuze, gebonden uitgave.

Sprookjesachtig

Sommige lezers hebben zich erover verbaasd dat in De heerlijkheid van Julia de diepste verlangens van een vrouw door een man onder woorden zijn gebracht. Maar de schrijver begrijpt dat bezwaar niet goed. Waarom zouden vrouwen iets vreemds voor hem hebben? Niet alleen weet hij uit eigen ervaring hoe het is om naar een man te verlangen ('ik val ook op mannen'), hij weet ook van nabij hoe vrouwen kunnen 'wegdromen en verhalen verzinnen'. Nadat zijn vader alleen was teruggegaan naar Suriname, werd hij, twaalf jaar oud, temidden van twee zussen grotendeels door zijn moeder opgevoed. Bij haar zag hij eenzelfde soort gemis en verlangen ontstaan als waar zijn hoofdpersoon aan lijdt. “Mijn moeder leefde al gauw in verhalen. Ik ben in haar hunkering opgegroeid. Ik zag wat ze verlangde. En omdat ze niet vond wat ze zocht, is ze gaan drinken. Zo raakte ze in een delirium waardoor ze bijna een sprookjesachtig personage werd.”

Op dit moment werkt hij hard aan een vervolg op zijn vorige boek Bruno's optimisme. “In mijn eerste twee boeken is wat ik zeggen wil, nog heel onbewust. Maar vanaf Bruno's optimisme ben ik mijn eigen filosofie gaan opschrijven. In dat boek heb ik het meest kernachtig mijn ideeën geformuleerd. Bruno is mijn alter ego. Hij zoekt naar zuiverheid, naar waarheid, en opereert vanuit een enorm gemis. Hij probeert dat onder woorden te brengen, en gaat op zijn zoek naar zijn eigen geschiedenis, zijn vervulling, zijn grootsheid.”

Voor hij aan dat vervolg toe was, moest Van den Boogaard, naar zijn eigen idee, eerst nog wat groeien. En daarvoor gebruikte hij Julia. “Ik ontwikkel me niet zo snel dat ik twee jaar later al een volgend boek over hetzelfde personage had kunnen schrijven. Julia is meer uit plezier geschreven. Het werken eraan was een groot feest en dat had ik na Bruno's optimisme hard nodig.”

In zijn volgende boek wil Van den Boogaard weer terug naar zijn grote thema's. Hij wil er onder meer een ervaring verwerken die hij vorig jaar in Parijs opdeed. In het zevende arrondissement zag hij op straat een jongen lopen die hetzelfde kortgeknipte haar had als hij. Er was een moment van herkenning. Maar toen hij een straat verder nog drie kaalgeschoren jongens zag, merkte hij al gauw dat hij in een demonstratie van het Front National terecht was gekomen. Er werd met vlaggen gezwaaid, geschreeuwd en een Marokkaan werd in het water geduwd. Later las hij in de krant dat de man daarbij verdronken is.

“Waar ik zo van schrok, was dat het kort scheren van mijn haar waarschijnlijk met hetzelfde verlangen naar zuiverheid te maken heeft als dat van die neo-fascisten. Maar mijn verlangen naar zuiverheid is totaal anders dan dat van een fascist. Ik zoek zuiverheid in mezelf, door te schrijven. De moraal van Vrouw Holle, die in Julia voorkomt, is dat wie authentiek is, wordt beloond, en wie naäapt wordt gestraft. Het sprookje leert dat er behalve de buitenwereld nog een andere wereld is, binnen in je.

“Daarin verschil ik van een fascist. Ik ben sceptisch en ironisch in mijn betrekkingen met de buitenwereld. Ik heb alle vertrouwen in mijn binnenwereld. Net als Julia.”