Gezocht: een nieuwe 'Exit-strategie' voor Bosnië

De weg naar vrede in Bosnië is bezaaid met deadlines uit het Dayton-akkoord, en vannacht is er weer éen verstreken: 'D+120'. Honderdtwintig dagen na de ondertekening van 'Dayton' moesten de strijdende partijen vannacht aan de laatste militaire eisen in de overeenkomst hebben voldaan. Het gaat om afslanking en demobilisatie van de legers en om terugtrekking van de zware wapens. De opperbevelhebber van de NAVO, generaal George Joulwan, heeft al laten weten dat de partijen - door overmacht - de eisen niet hebben ingewilligd, maar dat is geen trendbreuk: 'D+30', 'D+45', 'D+60' en 'D+90' werden géén van alle gehaald.

Van verzoening tussen de federatie van Kroaten en moslims en de 'Servische Republiek' èn binnen de federatie zelf is geen sprake. De terugkeer van de 2,5 miljoen vluchtelingen komt niet op gang. De wederopbouw moet nog beginnen. Vele 'oorlogsmisdadigers' lopen vrij rond. De mijnen worden volgens een NAVO-functionaris vooral door “spelende kinderen” opgeruimd. En het houden van verkiezingen in september wordt intussen steeds hachelijker.

Sinds vannacht moeten de zware wapens van de drie partijen - 750 tot 800 tanks, 145 raketlanceerinstallaties, 3.500 mortieren en 1.300 stuks artilleriegeschut - zijn opgeslagen op achthonderd plaatsen buiten de wapenvrije zone van tien kilometer breed (en 1.030 kilometer lang) tussen de 'Servische Republiek' en de federatie. Zware wapens die nog in de wapenvrije zone worden aangetroffen, kunnen door IFOR in beslag worden genomen. De belangrijkste taak van IFOR bestaat vanaf vandaag uit het patrouilleren in de wapenvrije zone.

De moslims en de Bosnische Kroaten moeten voorts een gezamenlijk militair opperbevel voor de strijdkrachten van de federatie gaan vormen, een taak die gezien de onderlinge animositeit met nogal wat problemen gepaard zal gaan.

De afspraak over de afslanking van de legers is veel gecompliceerder en heeft enorme sociale consequenties: volgens een opgave van IFOR moeten meer dan honderdvijftigduizend soldaten worden gedemobiliseerd. Die demobilisatie is volgens IFOR-woordvoerder Simon Haselock door haar omvang op zo'n klein gebied “een van de meest gecompliceerde en een van de meest ambitieuze uit de recente geschiedenis”.

Aan het eind van de oorlog telde het Bosnische regeringsleger 192.000 militairen, dat van de Bosnische Serviërs telde er 75.000 en dat van de Bosnische Kroaten 50.000. Deze drie legers moeten op 'vredessterkte' worden gebracht. Vanaf vandaag zal het Bosnische regeringsleger bijvoorbeeld nog maar 55.000 tot 60.000 militairen tellen. De rest komt op straat te staan - veelal letterlijk: zonder werk en op dit moment ook zonder uitzicht op werk. Driekwart van de beroepsbevolking zit al zonder werk. Het leger van soldaten dreigt een leger van werklozen te worden. Een deel van de toegezegde hulpgelden zal worden besteed aan banenplannen voor de gedemobiliseerde soldaten. Er zijn plannen ex-militairen in te zetten bij een militair project dat al had moeten zijn afgerond maar het nog lang niet is: het opruimen van de drie tot zes miljoen mijnen.

De Bosnische regering tracht de ex-soldaten in de samenleving te integreren met een soort waardebonnen: elke ex-soldaat krijgt een bonnenboekje ter waarde van het salaris dat hij tussen april 1992 en april van dit jaar uitbetaald had moeten krijgen op basis van een maandinkomen van 400 Duitse mark. In totaal kunnen de ex-soldaten aldus beschikken over een startkapitaal van 19.600 mark, in bonnen. Ze kunnen daarmee een huis kopen of aanbetalen en hun stroom-, water- en gasrekeningen en hun belasting betalen. Maar voor de dagelijkse inkopen zijn de bonnen nutteloos.

Door de afsluiting van de militaire taken van het Dayton-akkoord kan IFOR geleidelijk meer aandacht besteden aan civiele projecten als herstel en wederopbouw op het gebied van de infrastructuur, transport, communicatie en medische zorg. IFOR is al betrokken bij de reparatie van hoogspanningskabels en de watervoorziening van Sarajevo. Dat levert het gevaar van 'mission creep' op: de mogelijkheid dat IFOR oneigenlijke taken gaat verrichten. Woordvoerder Haselock onderstreepte deze week nog eens dat “commandanten erop zullen toezien dat civiele taken niet ten koste gaan van de militaire effectiviteit”.

Achter de schermen kijken Westerse diplomaten al bezorgd uit naar de belangrijkste deadline van het Dayton-akkoord: hoe moet het straks verder met de vredesmacht IFOR, als de Amerikaanse soldaten zich zoals gepland in december terugtrekken? Als daarover niet snel duidelijkheid komt, menen velen, zal van verzoening, terugkeer van vluchtelingen, wederopbouw en verkiezingen nu en in de nabije toekomst helemaal geen sprake zijn, zo nauw hangt alles samen bij de uitvoering van het vredesakkoord.

Binnen een paar maanden tot aan het vertrek van de vredesmacht, die de partijen succesvol gescheiden houdt, zijn deze civiele vraagstukken sowieso niet op te lossen. Maar als IFOR inderdaad na een jaar vertrekt, en de voorbereiding daarvoor moet al in de nazomer beginnen, vliegen de partijen elkaar weer naar de keel, vrezen Westerse diplomaten.

Niemand in de internationale gemeenschap wil nu een beslissing over een langer verblijf van de 60.000 man sterke NAVO-vredesmacht nemen, lijkt het. Het besef dat de civiele uitvoering van Dayton geen kans maakt zonder militaire steun lijkt alom aanwezig, maar tot een uitgewerkt plan heeft dat nog niet geleid.

Duitsland en België maakten gisteren op eigen houtje bekend net als de Amerikanen eind van dit jaar te vertrekken. Zulke verklaringen zijn enerzijds bedoeld om de drie partijen onder druk te zetten zich in te spannen voor vrede. Anderzijds lijken deze afzonderlijke aankondigingen ook pogingen om de druk op de Amerikaanse regering om te blijven, op te voeren, en wijzen ze - opnieuw - op het gemis van een gezamenlijke Europese aanpak; vorige maand al zei de Nederlandse minister Van Mierlo dat Europa “helemaal geen strategie” heeft.

De Verenigde Staten, de motor van IFOR, houden er voorlopig aan vast hun 20.000 soldaten niet langer dan een jaar in Bosnië te laten blijven, ongeacht het verloop van de uitvoering van het vredesakkoord. President Clinton wil over dit gevoelige onderwerp in dit verkiezingsjaar zeker geen confrontratie met het Congres en de Republikeinen aangaan. “Ik zie niets op dit moment dat mij de datum voor terugtrekking zou doen veranderen”, zei hij deze week tegen The New York Times.

Clinton volgt hiermee zijn eigen doctrine van het buitenlands beleid, die de Amerikaanse hoogleraar Michael Mandelbaum onlangs in het blad Foreign Affairs omschreef als de 'Exit-strategie'. De Amerikaanse generaal Powell vond ten tijde van de regering-Bush dat een Amerikaanse militaire missie in het buitenland een duidelijk doel en een duidelijke uitweg-strategie moest hebben. De regering-Clinton heeft volgens Mandelbaum deze principes in Haïti en Bosnië in elkaar geschoven: de uitweg-strategie is het doel geworden.

Een nieuwe Exit-strategie nà het vertrek van IFOR ontbreekt voorlopig, zowel in Europa als in de VS. Dat ook Clinton over een langer verblijf van IFOR nadenkt, bleek deze week uit zijn antwoord op de vraag van The New York Times wat hij zou vinden van een herschikking van de vredesmacht, waarbij de Europeanen blijven en de VS van buitenaf steun geven. “Ik zou zeker bereid zijn dit te overwegen, als alle partijen dat willen”, zei de president. “We willen dat deze zaak werkt. Maar het is belangrijk dat we geen bezettingsmacht worden [...].”

In de coulissen van de internationale gemeenschap speculeren diplomaten al over zo'n IFOR-light: de Europese NAVO-leden blijven in Bosnië en de Amerikanen trekken hun grondtroepen terug, maar zorgen wel voor luchtsteun en commandovoering. Tegelijkertijd hopen de Europeanen dat Clinton bij de presidentsverkiezingen in november herkozen wordt, en dan eenvoudigweg het mandaat voor IFOR zal verlengen.

    • Peter Michielsen
    • Robert van de Roer