Een bisonkop op twee benen; De ontdekking van de paleolithische Chauvet-grot

De Chauvet-grot, die anderhalf jaar geleden bij toeval in de Ardèche werd gevonden, is zo'n 30.000 jaar geleden beschilderd. De grot bevat tientallen tekeningen van rhinocerossen, mammoeten, leeuwen, paarden en bizons, allemaal in goede staat. Onlangs verscheen een boek over deze 'paleolitische kathedraal' die zich kan meten met de grotten van Lascaux.

Chauvet Cave: The Discovery of the World's Oldest Paintings. Uitg. Thames and Hudson, 135 blz. 93 kleurillustr. Prijs:ƒ .65,55

Op 18 december 1994, 's middags om drie uur, leggen een vrouw en twee mannen hun werk terzijde. Ze willen graag even datgene gaan doen wat ze al vele jaren samen in hun vrije tijd hebben gedaan. Voordat het donker en kouder wordt, maken ze een tochtje naar het nabijgelegen, beschermde gebied van de Zuidfranse rivier de Ardèche. De rivier zelf heeft zich in de loop van tientallen eeuwen vele meters verplaatst, maar de kalkstenen rotsoevers van weleer herbergen nog steeds geheimen waar menig toerist, die 's zomers verderop onder de Pont d'Arc doorzwemt, geen benul van heeft.

Die speleologische geheimen kende het trio al door en door. Gemeenschappelijk verkenden ze eerder tientallen paleolithische holen en grotten waar ooit mensen en beesten uit de Oude Steentijd hun toevlucht zochten. Soms ging menig archeoloog hen voor, maar dat deerde niet. Ze vonden toch wel iets van hun gading en bovendien hadden ze van de 28 paleolithische vindplaatsen in de Ardèche er al flink wat op hun naam staan.

Op die achttiende december waagde het drietal zich halverwege een smal pad in een onopvallend gat van zo'n tachtig bij dertig centimeter. Het lag twee meter hoger in een rotswand. Ze verwachtten er weinig van, hoewel het er wèl een beetje tochtte, en dat betekent meestal dat er meer te vinden is dan een verlaten vossehol. Een ieder wrong zich door de opening en stond ineens in een nis. Op de plek waar de koude lucht voelbaar was, sjouwden ze de steenhopen weg en zo kwamen ze in een een gangetje terecht dat eindigde in een stijl aflopende bocht. De vrouw kroop verder, richtte haar helmlamp naar beneden, riep iets de duisternis in om de echo te meten, en zag toen in de diepte iets dat op een ongeschonden, onderaardse ruimte leek.

Moe van het kruipend sjouwen en sluipend zoeken wilde het drietal liever naar huis. Morgen verder; het was buiten inmiddels aardedonker en bijna Kerstmis. Maar een van hen twijfelde. Nee, hij wilde niet wachten tot de volgende dag. Nu of nooit. Hij haalde meteen een touwladder uit de auto, ging terug naar het gat en liet het ding de aardse holte in zakken.

Wat de drie vrienden toen, tien meter lager, te zien kregen, is de Hollywood-droom van elke archeoloog. Lopend in elkaars voetsporen, om de vloer intact te laten, stonden ze ineens in een vijftien meter hoge grot, waar het sinds dertigduizend jaar voor onze jaartelling volledig stil was geweest - een enkele aardverschuiving daargelaten.

Ordeverstoorders

Hun lampen tastten de wanden en plafonds af, toegedekt met mineralen en druipstenen van fonkelende kristallen. De redelijk platte vloer was bedekt met botten. Op een naar beneden getuimeld rotsblok lag keurig in het midden een berenschedel uitgestald. In hun lichtbundels doemden roestrode stippatronen op en restanten van wat eens een zwarte beestentekening was geweest. Ze rilden van opwinding, en ook een beetje van angst, alsof zij als ordeverstoorders, ver weg van de bewoonde wereld, de hete adem in hun nek voelden van de nomadische jagers die nog maar net, via een achteruitgang, hun domein hadden verlaten.

Die roestrode stippen, archaïscher en aantrekkelijker dan die saaie dolly dots waarmee eigentijdse kunstenaars museummuren plegen te decoreren, vormden nog maar de eerste tonen van de ouverture. Tijdens latere bezoeken, afgelegd met geografisch omtrekkende bewegingen om eventuele belangstellenden te misleiden, gaven zich schilderingen prijs die het in kwalitatief opzicht gemakkelijk konden opnemen tegen de in 1940 ontdekte grotten van Lascaux, maar die ze in ouderdom verre zouden overtreffen.

De vindplaats bleek 500 meter lang te zijn en soms vijftien tot dertig meter hoog. In vier grote kamers en vele kleine ruimtes en gangen brachten paleolithische passanten ruim driehonderd tekeningen aan. Een tien meter lang fries geeft een horde paarden te zien, onstuimig op weg naar de uitgang van de grot. Elders jaagt een kudde leeuwen langs de okeren wand. Op afgeknotte rotspunten komen afbeeldingen van een enkele mammoet of bison voor, compositorisch aan het beperkte oppervlak aangepast. In een overhangend stuk gesteente is met een bot of een steen een uil gekerfd. Een dier dat in vergelijkbare grotten in de Dordogne, de Pyreneeën als ook in Spanje en Portugal nog nooit was opgedoken.

In overleg met plaatselijke instanties werd de 'paleolithische kathedraal' in het geniep electronisch beveiligd. Twee ijzeren deuren moesten de klimatologische continuïteit garanderen. Het duurde precies een maand voordat de buitenwereld van de grot van Chauvet hoorde. Wie twijfelde niet aan de authenticiteit? Aangezien men vroeger werd beloond voor dergelijke vondsten, is er met houtskool en natuurlijke pigmenten heel wat bisonsachtigs afgeknoeid.

Deskundige ooggetuigen hebben die twijfel meteen weggenomen. En nu, ruim een jaar later, kan een ieder in Chauvet Cave; The Discovery of the World's Oldest Paintings de bevindingen van Jean-Marie Chauvet, Eliette Brunel Deschamps en Christian Hillaire verifiëren. De bijna honderd grote, gave kleuropnamen hebben nog steeds iets onwerkelijks. Elke schets lijkt vers. Welgeteld komen in het 'nieuwe' complex 47 rhinocerossen voor, 36 leeuwen, 34 mammoeten, 26 paarden, 19 bisons, 12 holeberen, 10 rendieren en verder nog wat oerossen, steenbokken, vlinderachtigen en ondefinieerbare fauna. Soms kijken de bisons elkaar recht in de ogen, rhinocerossen gaan met elkaar op de neus, herten sprinten alsof hun leven ervan afhangt - wat het ook vaak doet. Behalve afdrukken van handen, ontbreken helaas mensfiguren, of het moet die bisonkop zijn die op twee uit de kluiten gewassen benen is geplant.

De meeste gestalten zijn zo naturalistisch en treffend neergezet dat het nog maar de vraag is of een academie-student van nu ze kan evenaren. De houtskool-kwaliteit lijkt op die van het huidige, vette en roetzwarte Siberisch krijt. Het bruin-rood is alleen op die plekken afgezwakt waar het gips er als een laagje yoghurt overheen sijpelde om daarna te verharden. Beweging is gesuggereerd door een bison uit te rusten met een achttal verschuivende voorpoten en horens. Op een linaire schildering van drie leeuwen paste de rendierjager het perspectief zo vanzelfsprekend toe dat de middeleeuwse vakman er een voorbeeld aan had kunnen nemen. Plasticiteit door middel van schaduwvlakken ging hem eveneens gemakkelijk af. En, volgens sommige prehistorici, zouden vaardigheden als deze er nu al op duiden dat de mens van het paleolithicum veel vroeger dan tot voor kort aangenomen over 'sophisticated' technieken beschikte. Hij kraste bovendien sommige muurdelen eerst schoon, opdat zijn werk langer meekon.

Winterslaap

Maar de grotten boden nog veel meer: afdrukken van voeten en handen in de klei, sporen van berenklauwen langs de wanden, vuurstenen en hoopjes houtskool op de grond als ook het gebeente van zo'n honderd holeberen, die hier misschien in hun winterslaap zijn doodgegaan. Ook op oranje-kleurige zuilen werden die bonte stippen aangebracht en er leek een uniek systeem schuil te gaan in het kleurgebruik, dat vanaf de grotingang van rood, via oranje naar zwart verliep. Of waren concurrerende meesters met hun eigen tint in de weer geweest? Roetsporen van fakkels vertelden nog dat circa vierduizend jaar nadat dit binnenhuis-karwei was geklaard, een enkeling een kijkje is komen nemen.

In deze eerste publicatie, eerder een oogstrelend plaatjesboek, doen de ontdekkers verslag van hun heimelijke tochten en hun voorzorgsmaatregelen om hen deze 'scoop' niet te laten ontnemen. Met trots vertellen ze hoe professioneel ze met plastics en afgebakende paden te werk zijn gegaan om schade zoals destijds in de grotten van Lascaux en Niaux te voorkomen.

Chauvet, de leider van het stel naar wie het complex is genoemd, schrijft sommige meesterlijke schilderingen toe aan een kunstenaar die zeer goed op de hoogte was van de paleolithische tekenkunst en die ook zeldzame dieren tot in de finesses had geobserveerd. Misschien zitten er duizenden jaren tussen de bruin-rode en zwarte beeltenissen, die sterke overeenkomsten vertonen met andere, later gedateerde Zuidfranse vindplaatsen. Dat laatste gegeven doet vermoeden dat bepaalde artistieke tradities millenia lang hebben standgehouden. Een van de experts legt in het boek zelfs een mystieke of religieuze link tussen de ivoren beestefiguren die in de Jura ooit zijn aangetroffen en dezelfde beestenboel van Chauvet.

Waarschijnlijk werd de grot nooit door mensen, maar alleen door beren bewoond. Want de paleolithische mens ging nogal nonchalant met zijn spullen en etensresten om. Van zulke sloddervossen ontbreekt elk spoor, of ze moeten zijn uitgewist door overstromingen die de IJstijd nog in petto had.

Waarom die ene bereschedel is tentoongesteld? Niemand die het weet. Waarom er twee berenbotten uit de grond steken? Onbekend. Waartoe die vele rode stippen dienden? Geen idee. Waarom dieren staan afgebeeld die niet op het menu voorkwamen? Het is een raadsel.

Over de functie van deze grotten staat evenmin iets vast. Misschien was dit een heilige plaats voor initiatie-riten of berenverering. Een enkele deskundige houdt het op een Neanderthaler-puber die in zijn verveling hier en daar wat beesten is gaan neerkalken. En weer een ander beweert dat men toen al, net zo goed als nu, uitsluitend iets moois wilde maken.

Op veel vragen blijft het boek het antwoord schuldig. Voorlopig mogen we alleen even door een lens meekijken samen met die drie stomverbaasde Fransen, die als eersten een dertig meter hoog paleolithisch atrium mochten aanschouwen. Voor het publiek zullen de grotten voor altijd gesloten blijven.