De Helper kwam niet; Tweede deel van Jan Fontijns Van Eeden-biografie

In 'Tweespalt', het eerste deel van de Frederik van Eeden-biografie van Jan Fontijn, beloofde de auteur in het volgende deel met een definitieve balans over de schrijver te komen. Maar in 'Trots verbrijzeld' blijft dat oordeel uit. Fontijn beschrijft Van Eeden als een labiele persoonlijkheid. Hij gaf zich over aan spiritistische avonturen, werd op bevel van de geesten katholiek en streefde een bond van genieën na die de wereld moest verlossen.

Jan Fontijn: Trots verbrijzeld. Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901. Uitg. Querido, 646 blz. Prijs 65,-

De veelzijdige en dynamische Tachtiger Frederik van Eeden (1860-1932), dichter, roman- en toneelschrijver, psychiater en stichter van de kolonie Walden heeft jarenlang onder invloed gestaan van een spiritistisch medium. Dit medium, een jonge vrouw, bracht hem niet alleen in contact met zijn overleden zoon, maar ook met de geesten van Multatuli, Zola en Victor Hugo. Vanaf november 1917, hij was toen 57, bezocht Van Eeden meer dan honderd seances. Multatuli diende zich daar als volgt aan: 'Douwes Dekker is hier, Ben ik welkom? O, Van Eeden, Frederik van Eeden, jij leeft hier, ik leef daar en heb daar mijn strijd'. Op wonderbaarlijke wijze bleken zowel Multatuli als Zola en Hugo in het hiernamaals getransformeerd te zijn tot vrome christenen die om het hardst het werk en de persoonlijkheid van Van Eeden kwamen prijzen.

De verhalen over Van Eedens contacten met 'de vrienden van gene zijde' vormen de aangrijpendste en tegelijkertijd meest hilarische passages uit Jan Fontijns monumentale Van Eeden-biografie. Zes jaar na de verschijning van deel 1, de dissertatie Tweespalt, die liep van Van Eedens geboorte tot het jaar 1901, is nu het tweede en laatste deel gepubliceerd onder de titel Trots verbrijzeld. Het is het dieptragische verhaal van een begaafde, met zichzelf overhoop liggende, gespleten man die aan hoogmoedswaan ten onder gaat. Dat is althans mijn interpretatie, de biograaf onthoudt zich zoveel mogelijk van dergelijke concluderende uitspraken.

Zijn grote, nog altijd beroemde romans - De Kleine Johannes, Johannes Viator en Van de koele meren des doods - schreef Van Eeden voor 1901, evenals zijn belangrijkste dichtwerken (Ellen, Een lied van smart en Het lied van schijn en wezen). De literaire produktie in de daarop volgende periode, die in Trots verbrijzeld wordt beschreven, is weliswaar niet minder omvangrijk, maar van geringere invloed en kwaliteit. Dat geldt bijvoorbeeld voor de twee vervolgdelen op De Kleine Johannes. Zijn toneelwerk werd niet goed ontvangen en zelden gespeeld. Het enige stuk uit deze periode dat bekendheid verwierf, is De heks van Haarlem.

Het literaire oeuvre van Van Eeden krijgt in het tweede deel van de biografie dan ook veel minder aandacht dan in het eerste. De nadruk ligt nog meer dan in Tweespalt op het leven en de persoonlijkheid van de kunstenaar. Maar Fontijn onthoudt zich in het tweede deel van een expliciete visie op Van Eeden. Hij draagt een - schier onafzienbare - hoeveelheid significante feiten aan op basis waarvan de lezer zelf kan oordelen. Aan het eind van Tweespalt maakte Fontijn een 'voorlopige balans' op van Van Eedens persoonlijkheid. In een interview met deze krant zei hij: 'Als het tweede deel af is, kom ik met een definitieve balans. Ik heb er wel ideeën over, maar ik weet nog niet waar het uit zal komen'.

Opvallend aan het tweede deel is dat die definitieve balans ontbreekt en misschien is dat maar goed ook. De waardering van leven en werk van een zo veelzijdig en grillig iemand als Van Eeden is dermate tijd- en persoonsgebonden dat oordelen hachelijk is. Zo zal Van Eedens bekering tot het katholicisme voor de één een gruwel zijn, terwijl een ander er mogelijk juist veel in zal herkennen.

Fontijn is niet alleen huiverig om de lezer een nieuwe interpretatie op te dringen, hij komt zelfs terug van een eigen eerdere duiding. In Tweespalt opperde hij - zij het heel voorzichtig - dat Van Eeden op enigerlei wijze betrokken zou zijn geweest bij de dood van Sam van Hoogstraten, de echtgenoot van zijn toenmalige geliefde Betsy van Hoogstraten. In Trots verbrijzeld neemt hij deze veronderstelling terug. De hypothese kwam voort uit misleidende informatie en, aldus de biograaf, 'uit een onjuiste inschatting mijnerzijds van Van Eedens persoonlijkheid'.

Met deze nogal cryptische passage pakt Fontijn zichzelf te hard aan. Want ook al is Van Eeden dan niet bij de moord op zijn rivaal betrokken geweest, zijn karakter had wel degelijk Jekyll and Hyde-achtige trekjes en Fontijns diagnose dat Van Eeden tot gek wordens toe gekweld werd door tweespalt en door het gevecht om zijn morele dualisme op te heffen wordt in het tweede deel alleen maar geloofwaardiger.

Liefdesaffaire

Trots verbrijzeld begint in 1901 op Walden, de op primitief-communistische principes gebaseerde kolonie die Van Eeden in 1898 bij Bussum had gesticht in navolging van de Amerikaanse utopist Thoreau. Allerlei idealisten vestigden zich daar rond de ethische, bijkans heilige figuur van Van Eeden, honing verzamelend en dromend van een betere wereld. Maar het experiment liep door financiële en psychologische oorzaken op een mislukking uit en tegen het einde van Van Eedens leven waren er alleen nog enkele tuinlieden werkzaam.

Zijn echtgenote, de sympathieke Martha van Vloten, moest er van meet af aan niet veel van hebben. Hun huwelijk liet toch al te wensen over. Sinds 1890, na de geboorte van hun tweede zoon Paul en het begin van Van Eedens - zuiver platonische - verhouding met Betsy van Hoogstraten hadden zij geen seksuele relatie meer. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de licht ontvlambare Van Eeden op veertigjarige leeftijd zwichtte voor de twaalf jaar jongere Truida Everts, één van de kolonistes op Walden. Op 9 maart 1901 noteerde hij in zijn dagboek: 'Hier begint een nieuwe periode in mijn leven'. Drie dagen daarvoor hadden hij en Truida elkaar hun liefde bekend.

Aan de hand van deze, voor de buitenwereld aanvankelijk verborgen gehouden liefdesaffaire, analyseert Fontijn Van Eedens seksuele preoccupaties. Een probleem waarmee hij worstelde en dat zich al tijdens zijn verloving met Martha begin jaren negentig had gemanifesteerd, was dat hij seksueel geblokkeerd was bij iemand die hij hoog achtte. Truida bevrijdde hem daar min of meer van. Na jarenlang gehuichel en geroddel, wat de toch al slechte reputatie van Walden geen goed deed, vroeg Martha in 1907 scheiding aan wegens 'overspel' van haar man en konden Truida en Van Eeden trouwen. Ze kregen twee zoons. Vervelend was wel dat Van Eedens 'sociale projecten' zoals Walden en de coöperatie De Eendracht, waar flink wat geld van Martha inzat, uitliepen op een faillissement. Dat vervulde hem met heftige schuldgevoelens jegens zijn ex-echtgenote.

De jaren tot 1907 waren niettemin vervuld van optimisme. Het was een tijd waarin Van Eeden zowel op literair als maatschappelijk gebied actief was. Indrukwekkend was zijn rol tijdens de spoorwegstakingen van 1903, toen hij in Amersfoort de stakers aanvuurde. Nadat de strijd verloren was en talloze spoorwegbeambten brodeloos werden, zorgde hij ervoor dat velen van hen aan geld of werk geholpen werden. Zelfs de hoon van de socialisten die regelmatig zijn deel was, verstomde hierdoor tijdelijk.

IJdelheid

Van Eeden pakte veel aan, maar lang niet alles wat hij dacht te kunnen, realiseerde hij ook. Zijn ijdelheid manifesteerde zich in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog vooral in het buitenland. In Nederland werd hij in toenemende mate beschouwd als een zot en een huichelaar. Dus zocht hij over de grens, zowel in Europa als in Amerika, contact met vooraanstaande schrijvers en intellectuelen. Onder invloed van Nietzsches elite-denken was hij, samen met allerlei buitenlandse grootheden, jarenlang bezig met het stichten van een wereldomspannend net van 'Koningsmensen', ook wel 'Elitebond' of 'Bond van genieën' genoemd, dat de bekroning van zijn leven moest worden.

De vraag was wie een genie was, wie toegelaten kon worden tot dit genootschap van grote geesten dat de wereld moest verlossen. Van Eeden vond hoe dan ook zichzelf in aanmerking komen. Verder kregen onder anderen Marinetti, Gutkind, Ezra Pound, Rilke, Romain Roland en Rathenau een uitnodiging. Van Eedens plan voor een elitebond heeft verscheidene varianten gekend. Samen met Martin Buber, Gustav Landauer en anderen produceerde hij begin 1914 een programma met de titel Ein Blut-Bund, waarin gepleit werd voor een morele avant-garde die de eenheid en het geluk der mensheid moest bewerkstelligen. De groep van alles bij elkaar zeven mensen is in juni 1914 in Potsdam bijeengeweest. Van Eeden raakte daar ten prooi aan een vorm van extase: hij leefde in de illusie dat de eenheid der mensheid nabij was. Hij had geen oog voor het bij sommige groepsleden levende antisemitisme - waar hij trouwens zelf ook niet vrij van was - noch voor de oorlogsdreiging. Twee maanden na de bijeenkomst in Potsdam maakte de Eerste Wereldoorlog een einde aan alle illusies: enkele 'genieën' ontpopten zich als fervente nationalisten en militaristen.

Fontijn heeft duidelijk moeite met Van Eedens elite-denken, dat hij met een mengeling van medelijden en ingehouden weerzin beschrijft. Hetzelfde geldt voor zijn benadering van Van Eedens antisemitisme. Het pregnantst kwam dat tot uiting in een aanval op de Berlijnse regisseur Max Reinhardt die in 1916 op tournee in Nederland was. Van Eeden had zowel in Nederland als in Duitsland vruchteloos geprobeerd om door te breken als toneelschrijver. Reinhardt weigerde zijn stukken te spelen en dat kwam hem op deze scheldkanonnade van Van Eeden in het weekblad De Amsterdammer te staan: 'Met echt-joodsche brutaliteit schrikt hij voor geen reclame terug, en zoekt zijn kracht in pompeuze uiterlijkheden.' Na de commotie die volgde - een joodse vriendin zegde de vriendschap op, anderen protesteerden in de media - maakte Van Eeden het in een volgend artikel nog bonter. Hij verzekerde dat hij niets tegen het jodendom had. Juist daarom wilde hij eigenschappen signaleren die de joden bij anderen antipathiek maakten. 'Ieder ras heeft nu eenmaal zijn gebreken', schreef hij.

Van Eedens elite-cultus en rassen-vooroordeel hield, zo valt uit Fontijns onderzoek op te maken, verband met de hoogmoedswaan van de kunstenaar. Die deed zich op alle mogelijke gebieden gelden. Zijn eigen lijden, veroorzaakt door stelselmatige miskenning, beschouwde hij als teken dat hij een uitverkorene was. Permanent had hij de neiging zich met de groten der aarde te meten en zich boven hen te stellen. Als toneelschrijver bijvoorbeeld vond hij zichzelf aanzienlijk beter dan de succesvolle Ibsen, die steunde op handige trucs zonder dat aan zijn stukken een grote gedachte ten grondslag lag. Hijzelf, vond Van Eeden, had iets van Goethe in zijn karakter en in zijn streven. Volgens hem had zijn tijd een groot man nodig en hij beschouwde het als zijn taak om van zo'n genie en messias de Johannes de Doper te zijn.

Offer

De dood van Van Eedens zoon Paul, begin 1913, veroorzaakte een ommekeer in zijn leven. Zijn religieus besef, dat altijd al aanwezig was, werd er door versterkt. De jongen - het tweede kind uit zijn huwelijk met Martha - stierf op 23-jarige leeftijd aan TBC. Op zijn sterfbed werd hij intens christelijk, wat op Van Eeden zo'n indruk maakte dat hij er een boek over schreef: Pauls ontwaken. De manier waarop zijn zoon gestorven was, leverde hem het bewijs dat de dood niet het definitieve einde was. Volgens Fontijn had Paul op zijn sterfbed geprobeerd Christus na te volgen, hij zag zijn lijden als een offer waardoor een groter leed geheeld werd. Hij voelde iets van de gekruisigde Christus in zich en imiteerde daarin zijn vader. 'De zoon had in zijn korte leven iets bereikt wat de vader al jaren poogde te bereiken: het negeren van materiële en uiterlijke zaken met het doel om in geestelijk opzicht te stijgen.'

Van Eedens hernieuwde belangstelling voor het spiritisme in de jaren die volgden, had alles te maken met zijn verlangen naar contact met Paul. Samen met Truida kwam hij in aanraking met de spiritische kring van het medium Bertha Welters die zich bezig hield met het verzamelen van onbekende feiten over het leven van Jezus Christus. Het medium beloofde Van Eeden dat er binnen vier maanden een vreemdeling contact met hem zou zoeken, die een Helper zou zijn. Vier maanden lang keken Van Eeden en zijn tweede vrouw reikhalzend uit naar de Helper, die echter niet kwam opdagen. Omdat de 'vrienden van gene zijde' te kennen gaven voorlopig te willen zwijgen, werd de kring opgeheven. Vervolgens, in oktober 1917, kwam hij, samen met zijn vriend de architect Jaap London terecht bij het medium Annie Bosch, een meisje met literaire aspiraties, dat hem in contact bracht met Multatuli, Hugo en Zola. De geest van Zola gaf London het 'Waereldmandaat' om een 'waereldhuis' te bouwen, een project waarhij met Van Eeden samen tijdenlang aan heeft gewerkt. De seances, waar Van Eeden en zijn vrouw dermate aan verslaafd raakten dat ze er fysiek en psychisch bijna aan onderdoor gingen, hadden veel weg van kerkdiensten en bleken er uiteindelijk op gericht om het echtpaar tot het katholicisme te bekeren. Annie Bosch, het medium, had er volgens Fontijn behoorlijk de wind onder als spreekbuis van een paar overleden literaire grootheden uit de negentiende eeuw. Victor Hugo liet weten dat ze met het plan voor een 'wereldstad' naar de paus moesten gaan. Aan Van Eedens vrouw werd in maart 1919 meegedeeld dat ze haar kinderen geen dag langer de genade van het doopsel mocht onthouden.

Van Eeden werd op 18 februari 1922 gedoopt, Truida en de twee kinderen waren hem voorgegaan. Fontijn heeft veel werk gemaakt van deze opzienbarende bekering tot het Roomse geloof, die hij plaatst binnen de algemene apologetische stroming gedurende de eerste dertig jaar van deze eeuw. Als bekend schrijver en exponent van zwevende gelovigen die op zoek waren naar een fundament van hun religieus verlangen, was Van Eeden voor de kerk een paradepaard.

Het is pijnlijk om te lezen hoe Van Eeden, die in toenemende mate leed aan dementie, door de clerus werd misbruikt. Bukken en buigen moest hij. Zijn trots verbrijzeld. Voorwaarde voor zijn toetreding tot de kerk was bijvoorbeeld dat hij een 'retractio' publiceerde waarin hij alle anti-katholieke passages uit zijn omvangrijke literaire oeuvre terugtrok. Dit leidde tot een brief van Van Eeden in De Nieuwe Eeuw die als volgt eindigde: 'Wie dus tegenstrijdigheden vindt in mijn werk, weet dat alleen het nieuwe geldig is, en dat ik diep betreur, soms in kinderlijke waan te hebben miskend of beleedigd de goede Moeder die ons vereenigt en gelukkig maakt'.

Godsdienstwaanzin

Van Eeden leed aan godsdienstwaanzin. Een paar dagen na zijn doop wierp hij zich voor het hoogaltaar op de trappen en bleef daar lange tijd liggen. Hij had daarbij het gevoel of Jezus in zijn armen lag. Het tapijt waarop zijn gezicht lag was hem 'innig en vertrouwd als een levend wezen'.

Volgens Van Eeden was het verbrijzelen van trots en hoogmoed het kardinale punt van iedere bekering en gezien de titel van de biografie lijkt het alsof Fontijn dat ook zo voelt. Trots verbrijzeld, verwijst niet alleen naar een onvoltooid werk van Van Eeden, maar evenzeer naar diens bekering. Tegelijkertijd laat Fontijn de mogelijkheid open dat die bekering juist kenmerkend was voor Van Eedens hybris. In 1925, hij was toen drie jaar katholiek, beklaagde hij zich erover dat hij als schrijver en profeet miskend werd, terwijl er toch niemand was die God zo manifest in zich had als hij. Zo'n uitspraak maakt het niet aannemelijk dat de trots daadwerkelijk verbrijzeld was.

Jan Fontijn toont aan dat Van Eeden vanaf 1918 (hij was toen 58) tot zijn dood in 1932 ziek is geweest. Hij leed waarschijnlijk aan vasculaire dementie, ook wel de ziekte van Binswanger genoemd. Dat maakt het extra moeilijk de bekering van Van Eeden serieus te nemen. Zijn biograaf heeft geprobeerd hem ondanks alles recht te doen. Hij is er zelfs in geslaagd door de waanzin heen te kijken en Van Eeden neer te zetten als exponent van zijn tijd. Toch ontkom ik niet aan de indruk dat Fontijn zich wild geschrokken is toen hij erachter kwam hoe gestoord de schrijver van De kleine Johannes in werkelijkheid geweest is.

    • Elsbeth Etty