Baas kinderschrik

Baas Kinderschrik is de held van een stripverhaal. Hij is een man van een jaar of vijftig, met een breed waterhoofd, hoog in de schouders en lange groene nagels; waarschijnlijk bedacht door een negentiende-eeuwse of nog vroegere pedagoog. Zijn daden werden op losse velletjes, iets groter dan het A4-formaat vastgelegd, in kleurenplaatjes met onderschriften, een lay-out vergelijkbaar met die van het aap-noot-mies maar dan met summiere onderschriften. Een primitief stripverhaal. In de jaren dat ik werd opgevoed was Baas Kinderschrik al in onbruik geraakt, maar de moeder van een vriendje, een vrouw met erudiete verzamelwoede, had een collectie. Die mochten wij, zesjarigen, soms bekijken. Baas Kinderschrik is mijn eerste nachtmerrie. Straffen was zijn opdracht. 'Kleine leugenaars en leugenaressen knipt hij de tong af.' Dat was tot in detail te zien. Een klein meisje met een vrolijk schortje voor werd met een grote schaar door het boos kijkende waterhoofd de tong afgeknipt.

Is het van invloed geweest? Wie weet. Misschien is het aan B.K. toe te schrijven dat ik alle gereedschap aardig vind - hamer, nijptang, boor, vijl, zaag, zelfs de schaaf - maar een geheime antipathie heb tegen de schaar. Tot geweldpleging naar zijn voorbeeld heeft het mijn vriendje en mij niet aangezet.

Dit ter inleiding. Het toenemend geweld op de televisie doet in Nederland, na de Verenigde Staten, de behoefte ontstaan aan een 'geweldchip' waarmee de ouders een overmaat aan bloeddorst voor kinderbedtijd kunnen uitschakelen. Dat raakt aan de grootste raadsels van de opvoeding. Maar nu eerst, zoals het tegenwoordig heet, maar eerst de zekerheid. Opvoeden bestaat in wezen uit een een simpel systeem van voordoen en nadoen. De appel valt niet ver van de boom, zo vader zo zoon, jong geleerd oud gedaan, enz. Als er geen voorbeeld was, dan ook geen les. Als er geen reclame was, geen warenhuis. Kinderen hebben een bepaalde leeftijd waarop ze meer nabootsen dan eerder en later. Wie beweert dat 'geweld op de televisie' geen invloed heeft, dat er immers altijd geweld is geweest, dat het journaal en de krant veel erger zijn en sprookjes vol bloeddorst om van de Bijbel maar niet te spreken, heeft meestal een belang om geweldpleging te vertonen. Dit belang kan dan ook nog op allerlei manieren worden aangekleed: als filosofie, bij de Markies de Sade en Georges Bataille, of als godsdienst die allerhande offers voorschrijft. Of als eerlijkheid, bij televisiemakers die immers de plicht hebben, de samenleving te tonen zoals ze is. Enzovoort. Vaak is het moeilijk, de praatjes van de waarheid te scheiden.

Mij het geweld uit mijn kindertijd herinnerend, opper ik dat er drie vormen zijn: het bestraffend geweld, uitgeoefend door de opvoeder op het kind; het verzetsgeweld, van kind tegen opvoeder; en het onderling geweld, van kind tegen kind. Het nadoen van bestraffend geweld kwam in mijn kringen zelden voor. Kinderen die zich vereenzelvigen met de rol van een opvoeder gaan 'vadertje en moedertje' spelen, en wee degenen die dan worden geadopteerd. Verzetsgeweld bij kleinere kinderen heet Kattekwaad (zie de gelijknamige, zojuist verschenen verhandeling van Benthe Forrer, waarin bijvoorbeeld de hoofdstukken 'Belletje trekken', 'Stem van boven', 'Recept voor poep'. Enz. Uitg. De Harmonie, ƒ 22.50). Kattekwaad is verwant aan slapstick. Ernstiger vormen van verzet komen pas op de middelbare school tot ontwikkeling. In Blackboard Jungle van Richard Brooks is te zien hoe het al in 1955 op een school in New York toegaat. Deze film begint trouwens met Bill Haley's Rock Around the Clock, toen al in Apeldoorn te gevaarlijk bevonden.

En dan is er de strijd van kind tegen kind. Daar wordt het voorbeeld van de grote mensen gevolgd. Oorlog werkt inspirerend, dat weet ik nog goed, en het wordt trouwens telkens weer door de televisiejournaals uit strijdgebieden bewezen. Een achtjarige die met een kalasjnikov erop los knalt, meestal van hout maar beter een echte. Dit is het geweld waarin de kinderen letterlijk spelenderwijs worden opgevoed. Behalve de oorlog hadden wij Dick Bos. Mijn kinderen hebben met Batman capes-en zwarte maskertjes rondgerend. Ze keken naar Rutger Hauer als Floris, bewonderden het vechtwerk van het stuntteam Hammie de Beukelaar en probeerden ook zoiets. Voor een geweldchip was de toestand niet rijp.

En nu? Ik betwijfel of bij de tegenwoordige stand van privatisering, commercie en vrije markt het geweld op de televisie door wat voor chip ook valt te temmen. Misschien gaat het meer om de vraag of de kinderen er een voorbeeld in zien. Mijn gevoel zegt me dat het afhangt van wat de ouders ervan denken. De vraag is dus: denken de ouders?