Akkoord over schuld arme landen nog ver weg

WASHINGTON, 19 APRIL. Met een goed gevoel voor timing heeft de Soedanese regering gisteren laten weten dat het land niet langer in staat is rente en aflossing op zijn internationale schulden te betalen. Het Afrikaanse land, dat behoort tot de categorie van allerarmste, zwaar verschuldigde landen, illustreerde met de mededeling over het staken van de betalingen dat schuldvermindering niet voor niets bovenaan de agenda staat van de voorjaarsbijeenkomst van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank die dit weekeinde begint.

Op tafel ligt een plan van IMF en Wereldbank voor schuldvermindering voor de twintig armste landen, waarvoor het onmogelijk is aan rente en aflossing van externe schulden te voldoen. Om het plan is vorig najaar door de leden gevraagd tijdens de jaarvergadering, maar overeenstemming tussen de organisaties en hun leden is nog ver weg.

Een kwijting van maximaal 67 procent van de schulden van de allerarmste landen is in theorie reeds mogelijk onder strikte voorwaarden (de zogenaamde Napels-condities). Volgens het nieuwe voorstel van het IMF en de Wereldbank moet dat percentage worden verhoogd tot maximaal 90 procent. De individuele crediteurenlanden, verenigd in de Club van Parijs, vinden evenwel dat zij onder de huidige voorstellen van IMF en Wereldbank zelf te veel moeten bijdragen aan de schuldvermindering en de twee instellingen te weinig. Dat lekte dinsdag uit na een vooroverleg van de zeven grootste industrielanden voor hun bijeenkomst, die zondag in de marge van de IMF-voorjaarsvergadering wordt gehouden. IMF-topman Camdessus bracht daar gisteren tegenin dat zijn organisatie zelf niet meer kan bijdragen aan schuldvermindering, omdat haar status van preferente crediteur dan ongeloofwaardig zou worden. “Dat is een principezaak”, zei hij.

Een oplossing kan het ESAF zijn, een speciaal IMF-fonds voor vrijwel renteloze leningen waarin een deel van de vorderingen van het IMF kan worden omgezet. Om extra geld voor dat fonds vrij te maken heeft Camdessus, zoals hij het gisteren uitdrukte, zijn verleden als Frans centraal bankier verloochend door te pleiten voor de verkoop van eentwintigste deel van de goudreserves van het IMF, en met de winst op de vrijgekomen middelen het ESAF te versterken.

Hierover bestaat ditmaal onder de grote crediteurenlanden onderling geen overeenstemming. Met name Duitsland en Japan zijn tegen. De Duitse minister Waigel zei gisteren dat een verkoop van de goudreserves “een verkeerd signaal geeft” op het moment dat het IMF grote, en mogelijk riskante verplichtingen is aangegaan. Dat is bijvoorbeeld het geval bij Rusland, waaraan dit voorjaar 10,2 miljard dollar aan leningen is toegezegd, maar dat zich volgens onbevestigde berichten niet zou houden aan de beleidsvoorwaarden die het IMF heeft gesteld. Mocht er vooruitgang over de schuldvermindering worden geboekt, dan kan het, zoals het er nu naar uit ziet, tot de G-7-top in juni in het Franse Lyon duren voor er een besluit over valt.

Het tweede belangrijke agendapunt is de uitbreiding van de General Agreement to Borrow (GAB), een noodfaciliteit die het IMF kan aanwenden voor landen in acute betalingsproblemen, die wordt gefinancierd door de groep van tien grootste industrielanden (waaronder Nederland). Na de financiële crisis in Mexico van vorig jaar, waarvoor in allerijl een internationaal noodpakket van 50 miljard dollar moest worden vrijgemaakt, werd in juni op de G-7-top in het Canadese Halifax aanbevolen de faciliteit van nu 25 miljard dollar ruim te verdubbelen.

Maar de Groep van 10 is terughoudend om de kandidaat-verstrekkers van de nieuwe fondsen, waaronder Aziatische landen als Zuid-Korea, Singapore, Maleisië en Australië, toe te laten tot haar forum, in de veronderstelling dat een te groot aantal leden de slagkracht van de G-10 en de invloed van de huidige leden zal verminderen. De nieuwkomers zelf hebben er weinig trek in wel garant te moeten staan voor de extra middelen, maar daar een, in Australische bewoordingen, tweederangspositie voor terug te krijgen. De onderhandelingen, die in een aparte werkgroep met onder meer de VS, Duitsland, Australië en Zuid-Korea worden gevoerd, wijzen in de richting van een New Arrangement to Borrow, gefinancierd door de nieuwkomers, en parallel aan het bestaande GAB. Tijdens de voorjaarsontmoeting van het IMF wordt geen doorbraak verwacht.

En dan is er nog de voortgaande twist, of zoals een bankier het desgevraagd noemt, het 'Peyton Place' van het IMF, over de speciale trekkingsrechten (sdr's), het quasi-geld dat aangesloten leden van het IMF kunnen betrekken om 'klassieke' betalingsbalansproblemen te overbruggen.

Anderhalf jaar geleden ontstond tijdens de jaarvergadering in Madrid een brede kloof tussen de grote industrielanden en wat in het IMF nog steeds doorgaat voor 'ontwikkelingslanden', maar in werkelijkheid een steeds mondiger groep van nieuwe industrielanden is. De groep van ontwikkelingslanden, met steun van IMF-directeur Camdessus, pleitte voor een algemene verhoging van sdr-quota's, omdat de groeiende omvang van het internationale handels- en kapitaalverkeer een groter potentieel aan liquiditeiten noodzakelijk maakt.

De industrielanden toonden zich, met een vooral Duitse verwijzing naar de mogelijke inflatoire gevolgen van de creatie van tientallen miljarden aan vers IMF-geld, daar tegenstander van, en betrokken het standpunt dat nieuwe leden van de kapitalistische familie, de oostbloklanden, voorrang moesten krijgen bij een nieuwe toewijzing van sdr's.

Sindsdien is er een patstelling, die grotere belangen verraadt dan alleen de behoefte aan extra liquiditeiten. Op de achtergrond speelt dat de stemverhoudingen binnen het IMF bij een nieuwe allocatie van sdr's kunnen veranderen in het nadeel van de industrielanden, die hun lidmaatschap van het eerste uur nog steeds weerspiegeld zien in een dominante positie binnen het Fonds. Sinds Madrid is er weinig vooruitgang geboekt, en ook ditmaal is er geen doorbraak te verwachten.

Niet officieel op de agenda, maar in de wandelgangen veelbesproken, is het aflopen van Camdessus' tweede termijn als managing director aan het eind van dit jaar. Camdessus zelf zou in zijn voor een derde termijn, maar met name de huidige voorzitter van het Interim-comité (het beleidsbepalend orgaan), de Belgische minister Philippe Maystadt, en de demissionaire Italiaanse premier en minister van Financiën Lamberto Dini ciculeren als mogelijke mededingers. En wie in Washington Nederlands verstaat hoort zelfs de naam van een van Camdessus' oude concurrenten. Onno Ruding.

    • Maarten Schinkel