Straffen op maat is moeilijker geworden

De kinderrechters en het openbaar ministerie in Drenthe, Groningen en Friesland kunnen in de praktijk slecht uit de voeten met de nieuwe jeugdstrafwet. “De nieuwe wet zet de praktijk op achterstand.”

LEEUWARDEN, 18 APRIL. De nieuwe wet op het jeugdstrafrecht die in september werd ingevoerd, is in de praktijk onwerkbaar en schiet zijn doel voorbij. Dit vinden zowel het openbaar ministerie als de kinderrechters in het noordelijk ressort. De nieuwe wet bepaalt dat het niet langer mogelijk is een combinatiestraf, bestaande uit een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde dienstverlening of begeleiding door de jeugdreclassering op te leggen.

In artikel 77h lid 2 van de wet staat: “In plaats van een hoofdstraf, kunnen één of meer alternatieve sancties worden opgelegd.” Dat wil zeggen: in plaats van jeugddetentie of een geldboete kunnen werk- en leerprojecten worden opgelegd. Het is dus óf/óf en niet meer én/én. Juist daardoor schiet de wet zijn doel voorbij, stelt de Asser officier van justitie K. R. van der Velde. De oude wet bood mogelijkheden tot “royaal combineren”. “Rechters en officieren van justitie hebben nu minder mogelijkheden een straf op te leggen die bij de omstandigheden past”, oordeelt hij. Volgens kinderrechter J. E. Münzebrock is “straffen op maat een stuk moeilijker geworden”.

In de oude wet kon bijvoorbeeld vier maanden tuchtschool worden opgelegd als voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarde dienstverlening en begeleiding door de reclassering. In de nieuwe wet kan een alternatieve sanctie worden opgelegd, maar een voorwaardelijke jeugddetentie met begeleiding door de jeugdreclassering daarbij is dan niet mogelijk. “Terwijl het voor jeugdigen goed is als ze een tijdje begeleid worden door de jeugdreclassering”, aldus de Asser kinderrechter. “Die kan hen met raad en daad terzijde staan en zoeken naar oplossingen als ze in de problemen dreigen te komen.”

In de nieuwe wet kan de jeugdreclassering alleen worden ingeschakeld bij een geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke hoofdstraf (jeugddetentie). “In dat laatste geval betekent eigenlijk dat een jongere de cel in moet als je hem toch een echte straf wilt laten voelen”, legt de kinderrechter uit. “Maar dat willen we juist niet. Je geeft zo'n jongen onnodig een dauw”, aldus Münzebrock. De combinatie alternatieve straf, jeugdreclassering en, als stok achter de deur, voorwaardelijke jeugddetentie, werkte meestal goed. Van der Velde geeft als voorbeeld een zestienjarige jongen die een seksueel delict heeft gepleegd. “Met de oude wet in de hand konden we hem een alternatieve straf, zoals een leerproject opleggen, verplichte begeleiding door de reclassering en voorwaardelijke jeugddetentie. Een leerproject seksuele vorming is heel goed, maar even belangrijk is dat die cursus een vervolg krijgt in begeleiding door de jeugdreclassering. ”

Overigens bestaan de vonnissen van Münzebrock nog steeds uit dergelijke combinatiestraffen. “Ja, ik leg ze nog op, want in de nieuwe wet staat nergens dat het niet mag. Ook onder advocaten en verdachten bestaat er nog behoefte aan.” De kinderrechter wijst er bovendien op dat in het strafrecht voor meerderjarigen combinatiestraffen nog wel voorkomen.

Officier van justitie Van der Velde is het volkomen eens met de rechter. “In het noordelijk ressort lezen we de ruimte in de wet, omdat daar in de praktijk schreeuwend behoefte aan is.” Van der Velde onderstreept dat het nut van een combinatiestraf verder reikt dan alleen de bekende stok. De nieuwe wet biedt in zijn ogen te weinig mogelijkheden voor een “straf op maat”. Dat geldt ook omgekeerd: er dreigen nu te zware straffen voor lichte vergrijpen te worden opgelegd. Münzebrock: “Het kan voorkomen dat de rechter gedwongen is iemand een celstraf op te leggen, terwijl hij hem eigenlijk niet de cel in wil hebben. Neem een jongere die in de kroeg een ander mishandelt. Met de oude wet kon je hem een geldboete opleggen als straf, plus als bijzondere voorwaarde verplichte begeleiding door de jeugdreclassering. Nu moet je óf deels voorwaardelijke detentie opleggen met daaraan gekoppeld jeugdreclassering óf een alternatieve straf. Maar een celstraf voor een eerste kroegruzie is wel wat zwaar. Bovendien zal zo iemand na zijn straf te hebben uitgezeten, zo worden losgelaten. Terwijl het volgen van een leerproject goed voor hem zou zijn. Leg je daarentegen een alternatieve sanctie op, dan wordt hij weer niet begeleid door de jeugdreclassering. In feite krijgt de dader geen echte straf en dat is uit rechtvaardigheidsoogpunt onacceptabel. Want hoe leg je de maatschappij uit dat een zo iemand in feite alleen maar een cursus hoeft te volgen?”

De nieuwe wet kent nog een ander nadeel, onderstreept Münzebrock. De rechter moet nu adviseren in welke jeugdgevangenis de veroordeelde moet 'zitten'. Het probleem is echter dat de rechters niet de regimes en behandelplannen van de tientallen inrichtingen kennen. “Maar stel dat we die wel kennen en adviseren dat hij in een bepaalde inrichting moet worden geplaatst. De celcapaciteit is gebrekkig, ook bij minderjarigen en veel inrichtingen zitten vol. Uiteindelijk gaat iemand toch naar een andere inrichting. Wat heeft zo'n advies dan voor zin? Je vonnis boet meteen aan kracht in en zal in feite voor een deel niet ten uitvoer worden gebracht.”

Alle hindernissen die de nieuwe jeugdstrafwet in de praktijk opwerpt, zijn jammer, vinden Münzebrock en Van der Velde omdat de intentie van de wetgever goed was. “Het doel was om de alternatieve straffen een wettelijke basis te geven en die is er nu. Krachtens de oude wet kon namelijk geen alternatieve (hoofd)straf worden opgelegd. Een alternatieve straf kon alleen als bijzondere voorwaarde gekoppeld worden aan de hoofdstraf. In de praktijk echter was 80 procent van de straffen aan jeugdigen alternatief, terwijl er wettelijk niets over vastgelegd was. De nieuwe wet zet de praktijk op achterstand.” Het andere doel van de nieuwe wet is de rechtspositie van minderjarigen te verbeteren en het jeugdstrafrecht aansluiting te geven op het strafrechtsysteem van meerderjarigen. Ook dat is toe te juichen, vinden beiden. Een 17-jarige die een ernstig misdrijf pleegt, kan nu een hogere straf krijgen (meer dan zes maanden, zoals in de oude wet geregeld was, namelijk maximaal twee jaar). Mits de ernst van het strafbare feit, de omstandigheid of de persoon daartoe aanleiding geven. Dat nu niet hoeft worden uitgeweken naar het volwassenstrafrecht is een voordeel.

Een woordvoerder van het ministerie van Justitie is op de hoogte van de kritiek op de nieuwe jeugdstrafwet. “Er wordt zeer serieus naar gekeken. Onderzocht wordt hoe we aan de bezwaren tegemoet kunnen komen, eventueel door de wet bij te stellen.” Volgens de woordvoerder is het niet verwonderlijk dat de praktijk de wet enigszins heeft ingehaald, aangezien er ruim twaalf jaar aan de totstandkoming ervan is gewerkt. “De invoertermijn van dit wetsvoorstel was vrij lang en het kan zijn dat sommige dingen in de praktijk alweer anders zijn dan toen de wet in wording was.”

Alternatieve sancties (taakstraffen) hebben sinds de invoering ervan in 1980 een hoge vlucht genomen. In 1995 werden in totaal bijna 120.000 alternatieve sancties opgelegd. “Er zijn vooral vele soorten leerprojecten en de ontwikkelingen gaan zo snel, dat je die soms niet met een wet kunt bijbenen.” Overigens is de woordvoerder het niet eens met de kritiek dat een voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur nuttig is. “De alternatieve straf wordt nu in plaats van een hoofdstraf opgelegd. Maar als een jongere een taakstraf niet naar behoren uitvoert door zich bijvoorbeeld ernstig te misdragen, kan het openbaar ministerie de zaak terugverwijzen naar de rechter. Die kan dan alsnog een geldboete of jeugddetentie opleggen.”

    • Karin de Mik