Sorgdrager laat top OM doorlichten

DEN HAAG, 18 APRIL. Minister Sorgdrager (Justitie) stelt een onderzoek in naar het functioneren van leden van het openbaar ministerie die betrokken waren bij de 'crisis' in de opsporing, zoals gesignaleerd door de commissie-Van Traa.

Dit blijkt uit een vanmiddag vrijgegeven brief van de minister aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal, Docters van Leeuwen. “In de eerste plaats zal het handelen en nalaten van de daarvoor in aanmerking komende procureurs-generaal worden onderzocht”, schrijft Sorgdrager. Het onderzoek zal worden verricht door de procureur-generaal bij de Hoge Raad, Th. B. ten Kate.

Het onderzoek naar het “handelen en nalaten” van de overige betrokken OM-leden komt voor rekening van het college van procureurs-generaal. Sorgdrager heeft Docters van Leeuwen verzocht vandaag een lijst met namen te overhandigen.

Een Kamermeerderheid van PvdA, VVD, CDA en GroenLinks gaf vanochtend in het debat met de commissie-Van Traa te kennen met de betrokken bewindslieden te willen spreken over de personele gevolgen van het rapport van de enquêtecommissie-Van Traa. Dit debat wordt in de tweede week van mei gehouden.

CDA-woordvoerder Hillen noemde het voornemen van Sorgdrager om alle geledingen van het OM aan een onderzoek te onderwerpen een poging de zaak op de lange baan te schuiven. “De brief bevat geen enkele fatale datum of het zou St. Juttemis moeten zijn.”

Ook commissievoorzitter Van Traa drong gisteravond aan op snelle besluiten van personele aard door de ministers Sorgdrager en Dijkstal (Binnenlandse Zaken). Van Traa: “De Kamer moet uiteindelijk oordelen over de politieke verantwoordelijkheid van hen die politiek verantwoordelijk waren en zijn.” Zij hebben volgens hem “veel dingen niet geweten en zich niet op de hoogte laten stellen. Dat is in het systeem waarin wij zitten even erg als het maken van fouten of het verkeerd handelen.” De personele consequenties moeten er volgens Van Traa “absoluut bijhoren”.

Overplaatsing of ontslag van verantwoordelijken zien de meeste fracties als onvermijdelijk omdat de relaties binnen politie en justitie sinds de IRT-crisis zijn verstoord. Docters van Leeuwen schreef twee weken geleden in een brief bij het rapport van de rijksrecherche over de criminele inlichtingendienst (CID) van de Haarlemse politie, dat de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit nog altijd ernstig wordt belemmerd door een “basaal wantrouwen” tussen functionarissen van politie en justitie in het ressort Amsterdam.

Minister Dijkstal leek gisteren niet van plan maatregelen te nemen tegen de Haarlemse korpschef Straver. In de VNU-dagbladen zei hij: “Ik ga niet over Straver. Nog los van de vraag of ik zou willen ingrijpen in Haarlem, het kàn gewoon niet. Ik heb er de macht niet toe.”

Van Traa bleek het daar gisteravond niet mee eens. Hij zei dat “de minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk blijft voor de kroonbenoemingen die hij heeft gedaan”. Van Traa zei verder dat de enquêtecommissie “niet voor niets heeft gezegd dat, naar ons oordeel, met het vertrek van één procureur-generaal, namelijk die te Amsterdam (Van Randwijck, red.), alle zaken niet zijn opgelost.”

Pag.2: Alleen CDA nog niet overtuigd van crisis

Van Traa verdedigde gisteravond in een vier uur durend betoog het rapport van de commissie. Hij hekelde vooral de in 'het veld' en in de politiek regelmatig geuite kritiek dat de enquêtecommissie de opsporingsmethoden te gedetailleerd in de wet wil verankeren. Daarmee zou het opsporingswerk van de politie te veel aan banden worden gelegd, zo vinden onder meer de korpsbeheerders. Van Traa vroeg zich af of die kritiek vanuit de justitie- en politiepraktijk wellicht werd geuit “als een soort verdedigingslinie, om de zaken niet te willen veranderen”. Volgens de commissievoorzitter is dit “een misverstand”. “Wij zijn nauwkeurig, wij zijn niet gedetailleerd. De opsporing wordt niet moeilijker, het wordt alleen maar makkelijker.”

Van Traa noemde het gisteravond “grote winst” dat de uitgangspunten van de enquêtecommissie voor de opsporing in de Kamer “door iedereen worden geaccepteerd”. De commissie wil dat elk relevant onderdeel van opsporingsonderzoeken door de rechter moeten kunnen worden getoetst. Daarmee nam de enquêtecommissie afstand van de bij de politie gegroeide praktijk van zogenoemde 'gesloten CID-trajecten', waarbij de criminele inlichtingendiensten in het geheim gegevens over verdachten en potentiële verdachten verzamelen.

Van Traa zei opnieuw niets te voelen voor het doorlaten van verdovende middelen door de politie, om op die manier een beter zicht te krijgen op criminele organisaties. “Het risico is te groot. De opbrengst is te klein. Bij het doorlaten zijn honderd procent sturing en controle uit de aard der zaak niet mogelijk.” Hij vindt bovendien dat Nederland moet aansluiten bij de praktijk in de omringende landen, waar het doorlaten van drugs niet is toegestaan.

Het CDA bleek vanochtend als enige partij er nog niet van overtuigd dat in ons land sprake is van een crisis in de opsporing. De grootste oppositiepartij keerde zich daarmee tegen de belangrijkste conclusie van het eindrapport van de commissie-Van Traa. Woordvoerder Hillen noemde de kwalificatie “crisis” te zwaar. Volgens hem is er geen structurele crisis in de opsporing bij politie en justitie, maar is er hoogstens sprake van “crisisachtige verschijnselen bij delen van het OM”. Hillen verweet de commissie ook niet principieel te zijn. Hij begrijpt niet goed waarom zij wel bereid is oogluikend toe te staan dat in bijzondere situaties en onder strikte voorwaarden geringe hoeveelheden softdrugs op de markt komen, maar - met uitzondering van het lid Koekkoek (CDA) - die opsporingsmethode categorisch afwijst zodra het om harddrugs gaat.

De meeste fracties stemden vanochtend in met grote lijnen van de conclusies en aanbevelingen van Van Traa. Maar een definitief oordeel stellen zij uit in afwachting van de reactie van het kabinet.