Pseudo-egalitaire verstening in een schuitje

Langzamerhand raakte wiskundedocent Ruud Biesbroek van het Minkema College in Woerden de lol in het lesgeven kwijt. Hij was begin vijftig, stond bijna 25 jaar voor de klas en op het thuisfront liep het ook niet zo vlot. Het gedrag van de leerlingen begon hem te irriteren en hij voelde zich overladen met werk. De vernieuwingen in het onderwijs, de veranderde lesmethodes, de fusie waarin de school was gewikkeld, het hing allemaal als een loden last om z'n hals. “Ik deed m'n lessen op de automatische piloot, ik had nauwelijks tijd om ze goed voor te bereiden”, aldus Biesbroek die het schoolleven steeds meer ging ervaren als een 'dikke brei'.

Maar inmiddels staat Biesbroek weer met plezier voor de klas. Twee jaar geleden kreeg hij een collega-mentor toegewezen, om hem met individuele gesprekken te helpen uit het dal te komen. Hij heeft geleerd om keuzen te maken in zijn werk, zodat hij tijd heeft om z'n lessen grondig voor te bereiden en zich ook weer voor nieuwe dingen te interesseren. “Ik was duidelijk aan het verzuren”, stelt de wiskundedocent achteraf vast, “en dat proces werd versterkt doordat ik steun zocht bij collega's die in hetzelfde schuitje zaten.”

Dit jaar krijgen op het Minkema College tien tot twaalf docenten - meestal oude rotten in het vak die dreigen onderuit te gaan - voor kortere of langere tijd individuele begeleiding van speciaal daartoe getrainde collega-mentoren. “Daarmee wordt voorkomen dat ze voortijdig afbranden en als wachtgelder de school verlaten”, zo verklaart Frits Achterberg, docent geschiedenis maar vooral coördinator van het schoolproject 'Personeelszorg en professionalisering'. “Want als er één sector is waar goede begeleiding van het personeel noodzakelijk is, dan is het wel het onderwijs”, meent Achterberg. “Door het pseudo-egalitarisme ligt de verstening voortdurend op de loer. Je mag je niet onderscheiden.”

Twee jaar geleden startte op de Woerdense scholengemeenschap, met 2.500 leerlingen en 150 docenten, een voor het onderwijs uniek begeleidingssysteem voor en door docenten. Dit systeem is ontwikkeld in samenwerking met het IVLOS, Interfacultair Instituut voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden van de Universiteit Utrecht. Het wordt als experiment door het ministerie van onderwijs gesubsidieerd. De individuele en groepsgewijze begeleiding richt zich op beginnende en nieuwe docenten, op ervaren docenten die graag een frisse kijk op hun vak willen houden, zelfs op hele secties waar vernieuwings- en samenwerkingsprojecten worden opgezet en op de gevorderde leraar met verzuringsverschijnselen. De mentoren worden bewust uit het eigen lerarencorps gerecruteerd, “want”, zegt Achterberg, “zij weten hoe weerbarstige de onderwijspraktijk is”. Het gaat om coaching op de werkplek, benadrukt de coördinator, het is beslist niet de bedoeling dat de mentoren Riaggje gaan spelen. “Als mensen persoonlijk in de knoei zitten verwijzen we ze door naar externe instellingen.”

Dit jaar arriveerde er een recordaantal van 38 nieuwe docenten op het Minkema College, van wie sommigen voor het eerst voor de klas kwamen te staan en anderen al jarenlang hadden lesgegeven op andere scholen. Zij worden door 23 mentoren begeleid. Individueel 'op de werkvloer' gedurende één uur per twee weken en zo'n acht keer in kleine groepen. Deze begeleiding van nieuwkomers is niet nieuw en ook niet uniek, laat Achterberg weten. Hij is er jaren terug al mee begonnen, maar het werkt nog altijd uitstekend. Dat beaamt ook Alberta Eppinga (27) die dit schooljaar haar vuurproef als lerares Engels en Frans op het Minkema doorstond. Nog voordat ze één uur had lesgegeven kon ze al aanschuiven bij een groep van de BBL, Begeleiding Beginnende Leraren. “Daar ging het over het stilkrijgen van de klas als je met de les wilt beginnen”, herinnert ze zich nog goed. “We deden gerichte oefeningen waaraan ik, toen ik eenmaal voor de klas stond, veel heb gehad.” Met haar individuele begeleider bespreekt Eppinga ondermeer hoe ze de werkorde in de klas hanteert. Ze houdt een logboekje bij en haar mentor zit af en toe achter in het lokaal. Eppinga: “Door de begeleiding leer je kritisch na te denken over je werkwijze en je relatie tot de klas. Die reflectie had ik in m'n eentje nooit bereikt. Ik ben ervan overtuigd dat ik hierdoor een betere docent word.” Beginnende leraren moet je veel ruimte geven, vindt Achterberg. 'De energie en de nieuwe pedagogisch en didactische inzichten komen van hen. Het is de dood in de pot als je daar geen gebruik van maakt.”

De broodnodige dynamiek in de school wordt ook verhoogd als ervaren leraren gestimuleerd worden over hun eigen onderwijspraktijk na te denken. Nieuw op het Minkema College zijn de mentoren die groepen docenten begeleiden bij vernieuwende onderwijskundige projecten. 'Liefde in de literatuur', is zo'n project waar twaalf docenten uit twee secties en zo'n driehonderd leerlingen bij betrokken waren. Het is zojuist afgesloten en als succesvol beoordeeld door zowel leraren als leerlingen. Ook secties waar de samenwerking niet zo gesmeerd loopt, kunnen rekenen op begeleiding van mentoren.

Waar komt de behoefte aan zo'n uitgebreid begeleidingssysteem uit voort? Achterberg: “We waren een snelgroeiende school met veel beginnende docenten die het ambacht van lesgeven nog grotendeels onder de knie moesten krijgen. Daarnaast waren we ook aan het vergrijzen en gingen er regelmatig collega's over de rooie. De fusie tenslotte maakte ook nog slachtoffers.” Op het Minkema College is geen gewoonte om te zeggen dat de kinderen lastig zijn of dat de ouders niet deugen, legt Achterberg uit, “wij vinden dat je als docent een klus hebt te klaren, namelijk: fatsoenlijk lesgeven. Leraren moeten over een breed repertoire van vakinhoudelijke, pedagogische en didactische kwaliteiten beschikken en daar kritisch over kunnen reflecteren. Daar begeleiden wij ze bij. Dan kunnen ze ook die moeilijke kinderen aan.”

    • Michaja Langelaan