Prettig tafelen

De jaren '50 en '60 - zo héél ver zijn ze niet weg, en tegelijkertijd zijn ze onvoorstelbaar voorbij. Hoe voorbij, springt in het oog als we kijken naar wat er destijds aan tips en suggesties voor het verbeteren en veraangenamen van allerlei dagelijksheden werd gegeven. Een korte serie.

Als er één echt vrouwelijke functie is die de meeste van ons graag vervullen, dan is het wel die van gastvrouw. Tenminste, dat vond Hermien Manger. Kort na de Tweede Wereldoorlog schreef zij het boekje Tafeldekken en -dienen, deel 2 van de reeks Wat weet ik van... ?

Niet alleen als er visite is, maar elke dag, zo begrijpen wij uit dit boekje, wil moeder-de-vrouw graag van vroeg tot laat haar huisgenoten voorzien van hun natje en hun droogje. Daar kan zij best wat adviezen bij gebruiken, en die biedt juffrouw Manger. Zij moet huishoudlerares zijn geweest - en dus 'juffrouw'. Van het opzetten van theewater voor het ontbijt (een gemak is hierbij een gasstelletje of een electrisch apparaat in de kamer) tot het smeren van een boterham of sanovite voor het slapengaan (Om geen extra omwas te krijgen, geeft u deze lopende avondboterham op de leeg gemaakte theeschoteltjes) bevat haar boekje een schat aan wetenswaardigheden.

Wij leren hoe prettig het is om wat neutrale witte vingerdoekjes te bezitten als er te weinig in dezelfde kleur zijn, en dat tafelzilver (nu ja, zo blijven wij het noemen) van alpaca vlugger vlekt dan het edele metaal zelf. Maar ook wat precies een roomstelletje inhoudt. Of dat wij, als er geen hulp is, bij het afruimen met succes het 'stapelen' van het kampleven kunnen overnemen - en hoe dat efficiënt in zijn werk gaat. Kortom, de Hollandse huiselijkheid van het ideaaltype uit de tijd van circa 1935 tot 1960.

De toon van juffrouw Mangers boekje is er een van behelpen. Huizen zijn te klein, serviezen incompleet, dienstboden een zeldzaamheid, goede gebruiken vergeten. En toch moeten wij - 'wij' is Mangers lievelings-spreekvorm - zorgen voor de gezellige sfeer in huis, zorgen dat alles ordelijk verloopt, zorgen dat niet iedereen tegelijk van tafel opstaat.

Als er gasten zijn, maar geen bediening, moeten wij eraan denken dat de schotels het beste in éénrichtingsverkeer de tafel rond kunnen gaan. Dat scheelt heel veel zigzagbeweging, stoten, gemompel van 'Na u!', 'Bedient u zich!' en 'Is u al voorzien?'.

Wie onder ons geheel van fantasie verstoken is, is blij met het idee van juffrouw Manger om koude vla of vruchtensla in de vingerkommen op te dienen: die zijn immers niet nodig, als er geen fruit uit de hand wordt genuttigd. Een ander idee is, de gebakschotel met gevolg (taartbordjes, bedoelt ze) uit de kast te halen als er drie-in-de-pan of wentelteefjes zijn. Zo krijgt de desserttafel af en toe een heel ander karakter en 't kost niets extra!

Of iedereen vingerkommen heeft is geen vraag voor la Manger; maar wat zij zelf herkent als sociaal twistpunt wordt tactvol omzeild. Wanneer eten wij bijvoorbeeld warm? Vanouds om 12 of 1 uur, maar als de huisgenoten niet thuis kunnen komen en ook niet in een restaurant kunnen gaan eten (!), mag het best 's avonds. Maar hoe láát wij dan 's avonds eten: om half zes, zoals de kleine man, of veel later, zoals de heren, verzwijgt zij discreet.

De wereld volgens Tafeldekken en -dienen is niet wat zij geweest is. Zal er ooit nog iemand een deftig diner geven? Juffrouw Manger vreest duidelijk van niet - of zij verwacht het niet van het publiek waartoe zij zich richt. Maar, zo verklaart zij opgewekt, het is wel eens aardig na te gaan (-) wat er allemaal aan te pas komt om het naar den eis op te dienen, en steekt van wal.

Zo komen wij te weten wat te doen van de hors d'oeuvre (hoeft niet altijd varié te zijn) tot de rokerij (sigaren komen meestal pas 'after dinner' voor de dag). En ook hoe het moet als er één, en als er twee gedienstigen zijn om met de schotels rond te gaan; voor meer dan acht personen is één beslist te weinig.

Ik ken gevoelige naturen die maagpijn krijgen van adviezen als deze. Van de compôte-lepel die boven het bord dient te liggen, en de appelmoes waarop wij zo aardig met kaneel de initialen van een jarige kunnen schrijven. Of er baldadig van worden, de appelmoes aan de lamp willen smeren, erwten schieten met de compôte-lepel.

Maar het duurt niet lang meer of juffrouw Mangers vermaningen raken bij niemand meer gevoelige snaren, herinneren niemand meer aan de frustraties van zijn jeugd (of van zijn moeder). Dan is dit boekje niet overbodig geworden, nee, dan is het wat het altijd zal blijven: een cultuurhistorisch monument. Een monument voor een tijd die begon toen voor het eerst nette burgermensen denkbaar waren zonder huispersoneel (door dames als juffrouw Manger steevast 'gedienstige' genoemd), en eindigde toen, statistisch gesproken, de laatste dienstbode de voordeur met een klap achter zich dicht had getrokken om zelf haar huis te gaan houden, helemaal op haar eigen manier.