Liever commercieel dan 'high po'

De grens tussen HBO en universiteiten mag niet vervagen, zo is het regeringsbeleid. Maar in Amsterdam bestaat al jaren een geslaagde mengvorm. 'Onze aanpak gaat langer mee dan het politieke leven van een staatssecretaris.'

Tussen het hoger beroepsonderwijs (HBO) en het wetenschappelijk onderwijs (WO) ligt een scheidslijn. HBO'ers zouden vooral praktisch ingesteld zijn. Zij kunnen wel wat, maar theoretisch blijven zij achter bij de 'echte' studenten, uit het wetenschappelijk onderwijs. Over de afgestudeerden van de universiteiten luidt dan weer de klacht dat zij in theorie wel het nodige weten, terwijl zij in de praktijk weinig blijken te kunnen. De kloof tussen kunnen en kennen lijkt inherent aan het onderscheid tussen HBO en WO.

Het kan ook anders. In 1987 is op initiatief van het ministerie van onderwijs de Amsterdamse Academie opgericht, hoger onderwijs voor de financiële sector. Partners daarin zijn de Vrije Universiteit, en dan met name de economische faculteit, en de Hogeschool Holland, een grote HBO-instelling in Diemen. Het betrof een onderwijsexperiment waarmee de toenmalige minister Deetman twee doeleinden nastreefde. Ten eerste een opleiding die HBO en WO combineert in één opleiding met een keuzemoment voor de studenten na de propaedeuse, en ten tweede een opleiding die zich gedurende vier jaar specifiek op één branche richt.

Bij de uitvoering van dit experiment viel de keuze op de financiële sector. Daarvoor bestond geen specifiek hoger onderwijs, terwijl er op de faculteit economie ook studenten zijn die zich bij hun wetenschappelijke en theoretische opleiding vooral interesseren voor de praktijk. Na hun studie mikken ze eerder op een loopbaan in het bedrijfsleven dan een wetenschappelijke carrière.

Op de Amsterdamse Academie zou de traditionele scheidslijn tussen HBO en WO geslecht kunnen worden. Inmiddels, na een flink aantal jaren ervaring, blijkt deze aanpak goed te bevallen.

De Academie neemt per jaar zo'n 250 studenten aan, die in de eerste anderhalf jaar hetzelfde curriculum doorlopen. De vakken die alle studenten volgen zijn economie, informatica, management en bedrijfscommunicatie. Op die manier wordt de lastige keuze tussen HBO en WO nog even uitgesteld. De studenten kunnen in die eerste periode hun eigen mogelijkheden en ambities exploreren. Halverwege het tweede studiejaar komt alsnog het moment om te kiezen. Dan blijkt dat 40 procent niet kan voldoen aan de strenge eisen en het forse studietempo. Deze studenten verlaten dan de academie, zij gaan iets anders doen of zoeken het een treetje lager op de HEAO.

De anderen vervolgen hun opleiding op de HBO-afdeling van de Amsterdamse Academie of zij studeren verder aan de economische faculteit van de VU. en dan specifiek bij de vakgroep Bedrijfskunde voor de financiële sector (BFS). Bij zowel de HBO, als de universitaire variant staan hogeschool en universiteit samen op het diploma vermeld. Ongeveer de helft van de instroom is afkomstig van het VWO, ongeveer een derde heeft een Havo-diploma.

In de beginjaren ging het merendeel van de studenten na de propaedeuse verder in het HBO-traject, maar de laatste jaren is het fifty-fifty.

Docent bedrijfscommunicatie en hoofd bureau internationalisering drs. P.C. Versluys is ervan overtuigd dat de aanpak van de Amsterdamse Academie goed werkt. Volgens de plannen van het kabinet zal het toegangsrecht voor de universiteit van havisten met een HBO-propedeuse worden afgeschaft. Maar Versluys verwacht geen problemen. “Wij vormen in z'n geheel een aparte opleiding, met een eigen registratienummer. En in ons systeem leidt het ook niet tot studievertraging.” Overigens zijn verreweg de meeste studenten die voor de universitaire afstudeervariant kiezen in het bezit van een VWO-diploma.

Vanaf het begin krijgen alle studenten een grondige opleiding op universitair niveau gekoppeld aan de praktijk zoals gebruikelijk in het HBO. In werkgroepen pakken studenten concrete opdrachten aan, en door middel van stages wordt contact onderhouden met instellingen uit de financiële sector, zoals banken en verzekeringsmaatschappijen. Bezoeken aan buitenlandse financiële instellingen horen er ook bij. Versluys is coördinator voor de contacten met Duitsland. Na een grondige voorbereiding bezoeken de studenten dan Duitse verzekeringsmaatschappijen in Keulen en grote Duitse banken in Frankfurt. Van de studenten die aan deze werkbezoeken meedoen, wordt ook verwacht dat zij zich het 'finanz-Deutsch' eigen maken, en zij schrijven hun verslag ook in het Duits. Overigens kunnen studenten ook naar andere landen gaan, zoals Frankrijk, Engeland of Spanje. In Londen, het financiële centrum, zijn de studenten uit Diemen welkom bij grote banken, bij Lloyd's en de Financial Times.

Door deze bedrijfsbezoeken en stages kunnen de studenten zich een beeld vormen van de beroepspraktijk. Het komt nogal eens voor dat (voor)oordelen daarna duchtig worden bijgesteld. Niet iedereen bij de bank stapt rond in grijs-met-krijtstreep, en achter de dikke polissen met de kleine lettertjes van de verzekeringsmaatschappij blijkt een fascinerende financiële en maatschappelijke werkelijkheid schuil te kunnen gaan.

Prof. dr. B. Compaijen, hoogleraar algemene economie, in het bijzonder gericht op de financiële sector, is zeer te spreken over de studenten die via de Amsterdamse Academie bij hem in de collegezaal en in werkgroepen verschijnen. Compaijen is programmacoördinator van de vakgroep Bedrijfskunde voor de financiële sector. “Deze studenten springen er echt uit. Bij het maken van werkstukken, bij het houden van voordrachten en bij het uitvoeren van concrete opdrachten doen zij het vaak beter dan andere studenten.”

Het overkomt Compaijen nogal eens dat een headhunter hem vraagt of hij nog een bijzonder begaafde student in de aanbieding heeft. Maar hij heeft het niet zo op deze “hype met de high-po's', waarbij 'high-po' staat voor 'high potential'. Compaijen: “Natuurlijk zijn er studenten die intellectueel en theoretisch zeer begaafd zijn, maar er is ook een grote behoefte aan mensen die wat commerciëler zijn ingesteld.”

Het curriculum werd in 1987 opgesteld in overleg met topmensen uit de financiële sector en sindsdien is deze relatie bestendigd in een curatorium. Dat is handig in verband met het regelen van bedrijfbezoeken, stages en gastdocentschappen, maar het belangrijkste is toch de voeling met de praktijk.

Zowel de HBO- als de WO-afgestudeerden blijken vrij snel een baan te kunnen vinden. De opleiding is overigens eerder een goede basis voor een loopbaan dan voor een specifieke functie. Daarvoor verandert er te veel en te snel in de financiële wereld. Sinds het samengaan van banken en verzekeringsmaatschappijen is er een felle concurrentiestrijd ontbrand waarbij telkens weer nieuwe financiële produkten en diensten worden aangeboden. Er bestaat een grote behoefte aan mensen die daarmee direct commercieel aan de slag kunnen gaan. 50 Procent van de afgestudeerden komt terecht bij banken en verzekeringsmaatschappijen, 30 procent bij consultancy- en softwarebedrijven en de rest bij de overheid of het 'algemene bedrijfsleven'.

Versluys laat zich er graag op voorstaan dat zijn Academie tot nu toe de enige is waarbij HBO en WO op elkaar zijn afgestemd. Toen de toenmalige staatssecretaris Cohen van onderwijs de Academie enkele jaren geleden bezocht, gaf deze te verstaan dat het bij dit ene experiment zou blijven. Versluys: “Ach, wij hebben hiermee succes, elk jaar is er veel belangstelling en onze studenten vinden snel werk. Onze aanpak gaat langer mee dan het politieke leven van een staatssecretaris.”

Compaijen erkent dat de constructie nogal ingewikkeld in elkaar zit, ook financieel, maar dat mag volgens hem geen reden zijn om er dan maar mee op te houden. Zulke problemen moet je gewoon oplossen.

Mark van Dorp, 20 jaar, is tweedejaars student, en hij heeft na het behalen van de propaedeuse gekozen voor het HBO-traject. Even weggerukt vanachter zijn pc, waaraan hij werkte aan een opdracht boekhouden, legt hij uit waarom. “Het is meer praktisch en minder theoretisch.” Voor zover hij het nu kan overzien, gaat zijn voorkeur uit naar het bedrijfsleven, waarbij de banken en verzekeringsmaatschappijen niet zijn eerste keuze zijn. Ook denkt hij dat zijn opleiding de komende jaren wat schoolser zal zijn dan die op de economische faculteit. Wellicht is het een blijk van zelfkennis als hij daaraan toevoegt: “Ik heb verplichte colleges, en misschien is dat ook wel goed.”

Of hij in vier jaar zal zijn afgestudeerd, weet hij nog niet. Hij is ook druk doende met de 'Race of the classics', een zeilevenement waarbij studenten van bedrijfskundige opleidingen uit binnen- en buitenland om het snelst naar Engeland heen en weer zeilen. De colleges en werkgroepen over management en bedrijfscommunicatie zullen hem daarbij zeker van pas komen.

    • Koos Metselaar