Koppen moeten rollen

Het gebeurde bijna drie jaar geleden. In het Duitse Bad Kleinen maakte een anti-terreurgroep van de grenspolitie jacht op twee leden van de Rote Armee Fraktion. Bij de uiteindelijke arrestatie kwamen het RAF-lid Wolfgang Grams en een van de commando's om het leven. Kort na de bloedige actie verschenen in de Duitse media verhalen dat Grams niet tijdens de achtervolging was gedood, maar zou zijn geëxecuteerd toen hij gewond op de grond lag.

Een week na de omstreden actie maakte de Duitse minister van Binnenlandse Zaken Rudolf Seiters bekend dat hij was afgetreden. Als reden gaf hij aan “kennelijke fouten, onvolkomenheden en communicatiestoornissen” tijdens en na de arrestatie van de twee RAF-leden. Seiters zei dat hem persoonlijk geen fouten konden worden verweten, maar dat Duitsland terecht een stelsel kent met politieke verantwoordelijkheid.

Persoonlijke consequenties verbinden aan het dragen van verantwoordelijkheid; kom daar in Nederland eens om. Onder de directe verantwoordelijkheid van hoofdcommissaris Straver liet de Haarlemse regionale criminele inlichtingendienst de eigen opsporingswerkzaamheden volledig uit de hand lopen, zo bleek eerder deze maand uit een rapport van de rijksrecherche. De politie werd zelf een van de grootste drugsimporteurs, was betrokken bij het oprichten van dekmantelbedrijven, incasseerde miljoenen aan drugsgelden, maakte ook miljoenen aan drugsgelden zoek, liet medewerkers volledig ongecontroleerd hun gang gaan. Pagina na pagina schetst het rapport van de rijksrecherche een onthutsend beeld van een opsporingsapparaat dat geheel leek te zijn vergeten wat de eigenlijke taak ook al weer was.

En de verantwoordelijken? Die zitten er nog steeds. Hoofdcommissaris Straver hoeft niet weg van de Haarlemse burgemeester. Dat Straver niets wist van wat zijn mensen uitspookten, werkt blijkbaar nu in zijn voordeel. De toenmalige burgemeester van Haarlem, Schmitz, over wie in het rapport wordt opgemerkt dat “niet gebleken is dat zij acht heeft geslagen op risico's die personeelsleden van de CID liepen bij de uitvoering van hun activiteiten” is inmiddels staatssecretaris van Justitie en acht zich zodoende ook verschoond. Hoofdofficier De Beaufort? Hij stelde zich te passief op, oordeelde de rijksrecherche, maar ook hij zit nog gewoon op zijn post. Het is weer eens aangetoond: in tijden van nood kunnen sommige Nederlanders heel solidair met elkaar zijn. Alle fouten worden geboekt onder de noemer collectieve schuld en iedereen kan weer gewoon verder.

Rolt er nog wel eens een kop, vraagt Dr. Veenbrand zich af in zijn afscheidscolumn in het PvdA-Vlugschift. “Het rollen van koppen is het zout in de pap van de democratie”, stelt hij, en “daarom zou het goed zijn als er weer eens een kop rolde.” Nu is het een publiek geheim dat achter Dr. Veenbrand de PvdA-politicus Ed van Thijn schuilgaat. Toevallig is uitgerekend hij de laatste politieke kop die rolde. De IRT-kwestie die twee jaar geleden ook al speelde werd zijn Waterloo. Niet omdat hij zijn verantwoordelijkheid nam - die had Van Thijn in zijn hoedanigheid van minister nauwelijks gedragen - maar omdat hem gebleken was dat de Tweede Kamer onvoldoende vertrouwen in zijn beleid had.

Verantwoordelijkheid en vertrouwen zijn twee cruciale woorden als het gezagsdragende functies betreft. Maar zodra betrokkenen in het publieke bestuur daarop tot in de uiterste consequentie worden aangesproken, schiet een ieder in een kramp. Zo recht door zee als de Duitse minister Seiters was toen hij persoonlijk de verantwoordelijkheid op zich nam voor de gedragingen van een commando-eenheid, zo laf stellen Nederlandse gezagsdragers zich op als het gaat om persoonlijke gevolgtrekkingen. Altijd zijn er wel legio redenen aan te geven waarom iemand niet hoeft op te stappen.

Toch heeft Dr. Veenbrand-Van Thijn gelijk met zijn observatie dat het rollen van koppen het zout in de pap van de democratie is. En dan gaat het niet zozeer om het smakelijke spektakel dat een voortijdig vertrekkende politicus met zich meebrengt, maar om de reinigende werking die een dergelijke stap kan hebben. Nog steeds gelden de wijze woorden van wijlen Jaap Burger, dat de trap van bovenaan moet worden schoongeveegd.

Er is een zeer plausibel verhaal te houden waarom niemand van de zittende bewindslieden zou moeten opstappen in verband met de IRT-affaire. Sterker nog: dat verhaal ìs gehouden. Staatssecretaris Schmitz kan strikt genomen niet worden verweten dat burgemeester Schmitz indertijd onoplettend is geweest. Minister van Justitie Sorgdrager kan strikt genomen niet worden verweten dat procureur-generaal Sorgdrager indertijd medeverantwoordelijkheid droeg voor een slecht functionerend openbaar ministerie.

Maar iets anders is of bestuurders die een dergelijk niet onomstreden verleden met zich meedragen nog wel geloofwaardig zijn en - nog belangrijker - met gezag naar buiten kunnen treden. Is er wellicht een causaal verband tussen de onbeweeglijkheid van de huidige politiek verantwoordelijken en het bijna volledig ontbreken van personele mutaties elders in de 'IRT-lijn'? De politieke leiding van het departement van Justitie is onmiskenbaar belast. Misschien niet in formele zin, maar wel in de belevingswereld van degenen aan wie zij direct of indirect leiding geven. Gezag is een abstract begrip. Maar dat de eigen historie van de beide bewindslieden op Justitie dit gezag heeft aangetast is evident.

De koppen hoeven niet te rollen. Dat vergt een actie van anderen en dan krijgt het al gauw een strafkarakter. Maar minister Sorgdrager en staatssecretaris Schmitz hadden natuurlijk wel eigener beweging het hoofd in de schoot kunnen leggen. Dan hadden zij verantwoordelijkheid genomen. Zoals het hoort en zoals het in andere landen ook gebruikelijk is.