Koos Breukel: Fotografie zonder gevoel is een leugen

Portretten maken van mensen vond hij aanvankelijk eng. Maar met de camera in de hand verloor fotograaf Koos Breukel zijn verlegenheid. De onheilspellende foto's van Breukel worden op dit moment in de Kunsthal in Rotterdam geëxposeerd.

De foto's van Koos Breukel zijn, samen met die van Paul Kooiker, t/m 26 mei te zien in de Kunsthal, Rotterdam. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u.

Eerlijk en liefdevol, maar ook rauw en realistisch zijn de portretten die fotograaf Koos Breukel maakt van mensen, dieren en dingen. Vorig jaar kreeg hij er de Aanmoedigingsprijs van het Amsterdams Fonds voor de Kunst voor. Met hun overdaad aan stijlvol zwart en soms ingetogen, soms exuberante expressiviteit zijn ze ook uiterst herkenbaar. Samen met Rineke Dijkstra wordt Breukel (1962) dan ook gerekend tot de beste jonge portretfotografen van het moment.

De fotograaf is zelf de eerste om een dergelijke uitspraak te relativeren. “Zoiets klinkt meteen zo succesrijk”, zegt hij in zijn pas ingerichte woonkamer annex studio vlak achter het Amsterdamse Vondelpark. Alsof hij van Jan en Alleman op verzoek wel even een 'lekker plaatje' schiet. En dat doet hij dus niet. Hij doet alleen wat hij leuk vindt en wil op zijn gevoel af kunnen gaan, zoals hij dat noemt. “Je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt er wel een mooie foto van maken. Maar zonder gevoel is het niks anders dan een leugen.”

Breukels foto's verschijnen met regelmaat in het tijdschrift Blvd. En vroeger ook wel in Quote, tot hij een auto-ongeluk kreeg en enkele weken met rugletsel aan zijn bed gekluisterd was. “Och, dan zoeken we iemand anders, zei de hoofdredacteur. Niet ik maar zijn fototoestel lag aan diggelen! Gauw een nieuwe kopen.”

Behalve voor Blvd. werkt Breukel ook 'voor deze en gene' en is hij een van de fotografen in de nieuwe fotoagentuur Rep. “Zolang als het duurt.” Want het is vooral reclamewerk dat er wordt gemaakt, en dat vindt hij toch maar 'een akelige wereld'. “Laatst stond de studio vol modellen, die moest ik of vrolijk of een beetje verdrietig afbeelden. Achteraf hoorde ik dat de foto's bedoeld zijn voor een campagne over herpes. Dan denk ik, waar heb ik me nu weer in laten luizen?”

Breukel werd bekend met zijn foto's van de onlangs aan de gevolgen van aids overleden acteur Michael Matthews. Ze leerden elkaar tien jaar geleden kennen in Mazzo. “Ik had de een of andere opdracht. Komt Michael binnen swingen en zegt: fotografeer mij maar. Nou vooruit dan maar. Weet je wat, zei hij toen ik klaar was, ik ga beroemd worden en jij wordt mijn fotograaf.”

En zo is het gegaan, tot het bittere einde, toen Breukel haarscherpe close-ups maakte van Matthews afgetakelde lijf. Die foto's, die vorig jaar metershoog in Naarden werden geëxposeerd, zullen binnenkort in boekvorm verschijnen. “Een soort ikoon”, noemt Breukel het, “opgedrukt met zilver en goud.”

Die foto's van Matthews hebben net als veel van Breukels portretten iets ingehouden droevigs, om niet te zeggen onheilspellends. “Van jongs af aan ga ik als vanzelf om met mensen die ellende hebben meegemaakt in het leven. Het zijn geen huisje-boompje-beestje mensen.”

Toen hij begon te fotograferen deed hij landschapjes, bomen in de mist, en meer van dat soort dingen. Geen haar op zijn hoofd die eraan dacht portretten te gaan maken. Veel te eng. Want eigenlijk is hij tamelijk verlegen. Tot hij ontdekte dat hij met die camera zijn angst verloor. “Dat is niet nieuw, maar voor mij was het dat wel.”

Op een van de in de Kunsthal geëxposeerde foto's staat een dolfijn. Een grapje, zegt Breukel. “Vroeger wilde ik oceanograaf worden, maar ik kon niet leren. Terwijl ik eigenlijk moest blokken voor mijn examen, stond ik op het balkon de maan te fotograferen. Tot mijn vader zei: 'laat maar jongen, word maar fotograaf. Daar word jij een stuk gelukkiger van'.”

Van die vader maakte hij vorig jaar een indringend en bij uitzondering vooral wit doodsportret. Het staat tegen de wand in zijn studio, want ophangen wilde hij die foto niet. “Dat is een beetje te veel gevoel. Ik heb hem ingeruild voor die dolfijn.”