In Liefde Bloeyende

BLIND MAN... Blind man, die onbeschaemt met u ruysschende liere

Gaet bedelen u broot nu hier ende nu daer

Ghy en leeft niet alleen in teghenspoede swaer;

K'ben ook mijn ooghen quijt die ick achte soo diere. Even ghelijck als ghy, o lierman goedertiere

Is ghequetst, is ghewondt mijns sichts ghestraelte claer:

Maar u mis-rief dat wort gheclaeght int openbaer

En t'mijne, waer ick comm', en acht men niet een ziere. Ghy treurt in aermoe swaer, en ick in droeve smert;

U lijf tochte ghy souckt, en ick troost voor mijn hert:

Maer niemant, als van u, en heeft met my melijden. En noch is tusschen ons een ander onderscheydt:

Ghy wort van eenen hondt ghetrauwelijck gheleydt

En ick van een blind kindt, dat m'alom leydt besijden. Justus de Harduyn (1582-1636)

Er is dat sonnet van Hooft met zijn aanroep van vadertje Tijd, Gheswinde Grysaert, maar hoeveel kaler, ontgoochelder klinkt in dit sonnet van Justus de Harduyn, ook genaamd Justus de Harduwijn, de vocatief niet - met zijn twee lettergrepen waarin alle hoop en voortgang gemutileerd lijken: Blind man. Niet een symbolische figuur wordt aangeroepen, een allegorie, zoals bij Hooft, maar een man uit de werkelijkheid, uit een levend tableau - een bedelaar, zwerver, straatmuzikant. Dit Blind man klinkt even realistisch als Val dood of Red mij. Een sonnet dat inzet met een kreet van benauwdheid.

Het is het vijfentwintigste sonnet uit De weerliicke liefden tot Roose-mond, als ik het goed heb begrepen de eerste sonnettenkrans uit onze literatuur, gepubliceerd in 1613, zo'n tien jaar na het schrijven ervan, toen Justus de Harduwijn al priester was geworden en met gemengde gevoelens op deze weerliicke (wereldse) gedichten vol Venus gejanck (erotische ontboezemingen) terugkeek. De publicatie schijnt niet van harte te zijn gegaan, de dichter zelf verdonkeremaande exemplaren, en zo komt het dat er tot op heden maar één exemplaar van bekend is, in een Gentse bibliotheek, een exemplaar waarvan de tekst pas weer aan het begin van deze eeuw onder de aandacht werd gebracht. Driehonderd jaar hing dit blindemansonnet in een web van sluimer en vergetelheid, en nu glinstert het als op de eerste dag - de literatuurgeschiedenis is rechtvaardig, al duurt het soms verdomde lang.

Het is een sonnet dat binnen een reeks liefdesbetuigingen vol lonkjes en kusjes een moment van contemplatie vertegenwoordigt: de dichter vergelijkt zichzelf met de blinde zwerver en probeert op die manier de toestand van zijn innerlijk te peilen. Hij klaagt met de lierman mee K'ben ook mijn ooghen quijt en Ghewondt (is) mijns sichts ghestraelte claer dat wil zeggen: gewond is mijn heldere, stralende gezichtsvermogen. Vertroebeld is zijn blik. 'Want stom soo is de Doot, de Liefde sonder ooghen', luidde de slotzin van het voorafgaande, vierentwintigste sonnet. De dood heeft geen tong, de liefde is blind, ze zijn voor de stoel van de rechter als getuigen waardeloos: wie kan de dichter beter aanroepen dan een mede-blindeman? Een zingende bedelaar, net als hij?

Om zijn getuige overtuigender te maken dient de dichter een sfeer van gelijkgestemdheid en broederschap te scheppen en hij doet dat door meteen het beeld van de ruysschende liere waarmee onbeschaemt (d.i. onbeschroomd) wordt gebedeld op te roepen en door de lierman goedertiere te noemen. Er is een verbond, er kan vergeleken worden.

In de meest strakke sonnetvorm wordt er in het verdere verloop van het gedicht uitsluitend vergeleken - zonder uitweidingen, zijpaden of opvulsels. In de eerste strofe is het: gij niet alleen, ook ik. In de tweede strofe: even gelijk als gij. In de derde: maar niemand heeft, zoals met u, met mij medelijden. De vergelijkingen vallen, om het zacht te zeggen, niet gunstig voor de dichter uit.

Kaal en nuchter was de aanhef, streng en sober is de versvorm, illusieloos en bitter zullen de gevolgtrekkingen zijn. Een samenspel dat dit blindemanvers tot een schokkend sonnet maakt.

De zachtaardige lierman is arm, hongerig, gehandicapt en terneergeslagen - de verliefde dichter ook. Maar de handicap van de orgeldraaier wordt nog openlijk beklaagd en met hem heeft men in elk geval nog medelijden - anders dan met de dichter. Op de kwaal van de dichter slaat niemand acht, geen mens dient zich aan om hem te troosten. Zo wordt de vergelijking - wie is de ellendigste blinde? - voortgezet tot de climax van de laatste strofe, met een subliem gevoel voor understatement 'nog een ander onderscheid' genoemd Ghy wort van eenen hondt ghetrauwelijck gheleydt En ick van een blind kindt, dat malom leydt besijden. ... en ik loop aan de onbetrouwbare leiband van het blinde kind - Cupido dus - dat me aldoor de verkeerde kant op stuurt, dat me waar ik ook kom om de tuin leidt... Ik ben een blinde geleid door een blinde, concludeert de dichter. Ik ben van alle blinden de meest weerloze.

Van de blinde uit de eerste regel - een man van vlees en bloed uit een straattafereel - is hij pas in de allerlaatste regel op het blinde kind van de allegorie gekomen. Het maakt dit tot een door en door renaissancistisch, dus modern gedicht.

Blind man! De dichter roept zich zelf.