Hoge premies en dikke vrouwen

Ongeveer honderdvijftig, meest jonge sociologen presenteerden vorig week hun work in progress. “De wetenschap staat aan het begin van het besef dat alle kennis sociale kennis is.”

'Knowing more, doing better', dat moet de strijdkreet worden van de 'sociologie van de eenentwintigste eeuw', zo hield de Amerikaanse socioloog/historicus Immanuel Wallerstein eind vorige week een zaal vol sociologen voor. Ongeveer 200, meest jonge sociale wetenschappers gaven er acte de presence voor de openingsspeech van het congres 'Van de Hoed en de Rand'. Deze zevende aflevering van de tweejaarlijkse 'sociaal-wetenschappelijke studiedagen' werd donderdag en vrijdag georganiseerd door het SISWO/Instituut voor Maatschappijwetenschappen, op de Vrije Universiteit te Amsterdam.

In ruim vijftig bijeenkomsten presenteerden aio's en andere wetenschappers elkaar hun 'work in progress' - variërend van de rol van het christendom in de geschiedenis van het geweld tot 'een aanzet tot theorievorming over dynamiek in de mantelzorgrelatie met ouderen'. Wie niets wilde weten van 'de socio-cybernetische uitdaging' kon op het zelfde moment gemakkelijk terecht bij een sessie over 'de onderkant van de arbeidsmarkt' of 'Natuur en milieu'.

“De sociologie is altijd weinig succesvol geweest, zowel wetenschappelijk als maatschappelijk”, zei gastspreker Wallerstein, bekend om zijn boeken over het kapitalistische 'wereldsysteem'. Dat gebrek aan succes was een geboorte-fout. Vroeger, voordat er moderne wetenschap bestond, richtten theologie en filosofie zich op waarheid én goedheid, aldus Wallerstein. In de negentiende eeuw nam de natuurwetenschap daarvan alleen de waarheid als doel over - “Goedheid was uninteresting, want het was geen kennis”. Onderzoek van de morele kant van het menselijk bestaan kwam terecht bij de geesteswetenschappen, de humanities. De ware erfgenamen van de gezamenlijke studie van waarheid en goedheid werden daarom de sociale wetenschappen.

Maar daarom kwam de studie van de mens in zijn sociale omgeving nooit goed van de grond, ingeklemd als zat tussen tussen literatuur en fysica: “ze werd door de tegenstelling verscheurd, is daardoor nooit een autonome wetenschap geworden”. “Niet filosoof-koningen heeft de sociologie voortgebracht, maar slechts dienstmeiden van hervormingsgezinde regeringen”, aldus Wallerstein. “De illusie van goedheid is achter de horizon verdwenen.”

Het gevolg was dat ofwel de sociale wetenschappers worden bevangen door angst voor generalisaties, als de historici en antropologen. Die richten zich uitsluitend op het 'unieke'. Ofwel er heerst angst voor onvolledig feitenmateriaal, zoals bij de sociologie - die zich daardoor volledig tot de eigen tijd beperkte. Het resultaat in beide stromingen is 'microscopisering', de eindeloze opdeling van onderwerpen, zonder veel grote thema's, zo treurde Wallerstein.

De Amerikaan put echter hoop uit twee ontwikkelingen, die volgens hem de combinatie van 'waarheid' en 'goedheid' beter hanteerbaar moeten kunnen maken. De waarheid wordt steeds minder een simpele formule, “dat zeggen zelfs de wiskundigen!”. En waarom? Omdat men zich steeds meer realiseert dat de werkelijkheid een menselijke constructie is. En die 'culturele' opvatting dringt ook steeds meer in het denken over 'goedheid'. “De wetenschap staat aan het begin van het besef dat alle kennis sociale kennis is”, aldus de hoopvolle boodschap van Wallerstein aan de Nederlandse sociologie.

Lappendeken

De - vrij abstracte - bevlogenheid van Wallerstein blijft niet hangen op het congres, waar vooral op 'ambachtelijke' wijze over elkaars onderzoek wordt gesproken. “Op deze 'markt' ontbreekt meestal het 'establishment' ”, aldus directeur J. Sterk van het organiserende SISWO, “want die grote sociologen zijn toch wel bekend.” Dat de onderwerpen een lappendeken vormen, vindt hij 'logisch'. “Ga bijvoorbeeld de straat eens op: alles wat je tegen komt is sociologie - het verkeer, mensen die met elkaar praten, het wegenpatroon enzovoorts.” In ieder geval overheersen op het congres de 'kleinere' onderwerpen, meestal kleine onderdelen van grotere onderzoeksprojecten: weinig hoed, veel rand.

Deze rand van de sociologie biedt overigens soms wel degelijk inzicht in de condition humaine. Een fraai staaltje van micro-onderzoek was de sessie 'huishouden en beheer', waar twee Utrechtse sociologen de huishoudbeurs analyseerden van stellen met een gemeenschappelijke huishouding. Gaat alles op een gemeenschappelijke rekening of alles apart? Uit analyse van gegevens uit een recente, grote 'huishoud-enquête' blijkt dat ruim 60 procent van de gehuwden alle inkomsten op een gemeenschappelijke rekening stort. Slechts zeven procent houdt alle financiën apart. Bij samenwonenden ligt dat andersom: amper elf procent gooit al het geld bij elkaar en veertig procent houdt het geld gescheiden op aparte rekeningen. Waarom? Het zijn rationele keuzen, menen de sociologen, aio D. Giessen en universitair hoofddocent M. Kalmijn. “Samen is makkelijker, maar apart is veiliger.”

Ze denken dat niet-gehuwden een groter risico lopen dat een partner gemeenschappelijk geld ten eigen bate gaat aanwenden. En dat risico blijft kennelijk, want opmerkelijk is dat langer samenwonen niet leidt tot een grotere kans op gezamenlijk bankieren. Het sluiten van een huwelijk heeft de meeste invloed op de gezamenlijkheid van rekeningen, meer nog dan het samen krijgen van een kind. Verder blijkt dat hoger opgeleide paren of paren met 'een meer progressieve leefstijl' vaker gescheiden rekeningen hebben dan anderen. Wat de paren zelf zien als de reden voor hun wijze van financieel beheer, is in de enquête niet gevraagd.

Maatschappelijker geëngageerder was de sterk Amerikaans geïnspireerde literatuurstudie The stronger women get, the more men love football, die A. Knoppers verdedigde in de sessie 'sport'. Volgens haar is een belangrijke maatschappelijke functie van sport dat daarmee de verschillen tussen de seksen worden gecreëerd en bevestigd. Maar hoe moet dat nu het aantal vrouwelijke sporters op alle sportgebieden toeneemt? De 'superieure mannelijkheid' redt zich er op allerlei manieren uit, constateert Knoppers - met duidelijke spijt. Zo wordt bijvoorbeeld sinds de jaren zeventig de vrouwelijke gymnastiek beheerst door flexibele meisjes met een uitgestelde pubertijd, terwijl bij mannen nog altijd de volwassen kracht de norm is. En vrouwelijke topsporters leggen de laatste jaren door hun kleding steeds meer nadruk op hun vrouwelijkheid. Volgens Knoppers zijn daardoor bijvoorbeeld “grote vrouwen, dikke vrouwen, forse vrouwen, bijstandsvrouwen en anderen voor wie aerobics oorspronkelijk bedoeld was, niet meer te vinden in veel van de cursussen”.

Huiselijker is de studie van M. van Leer, aio aan de Univeristeit Utrecht, naar de moderne viering van sinterklaas en kerstmis. Ze constateert dat bij sinterklaas de pakjesavond steeds belangrijker wordt, dat ook grotere kinderen zelf cadeaus geven, Verder worden de cadeaus vooral sinds de jaren '80 steeds persoonlijker en er worden steeds vaker niet-familieleden bij betrokken. Ook Kerstmis wordt intensiever gevierd, met steeds uitvoeriger versiering en uitgebreider maaltijden. Hoe valt deze bloei van de klassieke familiefeesten te rijmen met de verzwakking van de (familie)banden, zoals die vaak wordt geconstateerd? Van Leer zoekt hulp in de sociologische literatuur: 'mensen geven elkaar vooral geschenken in relaties die tegelijk belangrijk en niet (meer) vanzelfsprekend zijn', aldus de Amerikaanse socioloog Caplow. Ritualisering en intensivering van de familiefeesten is het gevolg. De presentatie wordt belangrijker. Van Leer: “Degenen die eerder konden rekenen op meer alledaagse vormen van intimiteit, hebben in de jaren negentig de marginale positie van gast en dus van relatieve buitenstaander.” De toekomst zal moeten leren of deze ritualisering de klassieke Nederlandse 'gezelligheid' zal aantasten, aldus de sociologe.

Aan een andere kant van het sociologische landschap bevindt zich W. van Oorschot van de Tilburg Institute for social security studies (TISSER). In de sessie 'verdelende rechtvaardigheid' zette hij uiteen dat er in Nederland onder de politieke en sociaal-economische leiding grote consensus lijkt te bestaan over een verschuiving in de sociale zekerheid van een 'solidair-collectief-' naar een 'selectief-marktmodel': meer nadruk op een particulier verzekeringsmodel Daarbij wordt de te betalen premie afhankelijk van het individuële risico op ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid.

Verwildering

Maar uit een enquête van het TISSER onder 1.500 Nederlanders leidt Van Oorschot af dat deze wending die in de jaren tachtig is ingezet, nog altijd niet kan steunen op een breed draagvlak onder de bevolking. De overheid moet hoofdverantwoordelijke blijven bij de verzekering van sociale risico's.

Volgens Van Oorschot is deze discrepantie tussen beleid en burger weliswaar groot, maar zal ze voorlopig toch niet leiden tot grote spanningen, “omdat de gemiddelde burger uit de brede middenklasse nu nauwelijks nog beseft wat voor hem of haar de praktische gevolgen zullen zijn (...) van geen of minder sociale bescherming en hogere premies”.

Het zo optimistisch begonnen congres sloot somber af, met een forumdebat over 'morele paniek en maatschappelijke verwildering'. De criminoloog H. Franke liet daarbij weten dat hij niet meedoet aan “de opgestookte angst” voor criminaliteit, maar dat hij wel grote morele verloedering vreest door “het verlies van de onafhankelijkheid van de universiteiten”. Steeds meer onderzoek wordt gedaan in opdracht van anderen, ten koste van meer fundamenteel, vrij onderzoek, dat lijdt onder Rijksbezuinigingen en teruglopende studentenaantallen.

Evenmin opwekkend was het feit dat de Verweij-Jonkerprijs (à 1.000 gulden), voor de beste bijdrage aan de studiedagen van een wetenschapper jonger dan 30 jaar, dit jaar niet werd uitgereikt. De deskundige jury vond geen der zes ingezonden papers goed genoeg. De NVMC-Essayprijs (1.500 gulden en een oorkonde), voor het meest originele sociologische of antropologische essay, had ook al geen winnaar wegens gebrek aan geschikte inzendingen.