'Floris V'

Naar aanleiding van een bijdrage van Theo Toebosch in het Wetenschap en Onderwijs supplement van 28 maart over de identiteit van in 1949 en 1951 bij Rijnsburg opgegraven skeletten wil ik graag het volgende opmerken.

Van 1956 tot 1964 zijn in de C-14 afdeling van het Natuurkundig Laboratorium van de Groningse Universiteit achtereenvolgens door prof. Hl. de Vries, door mijzelf en door prof. J.C. Vogel metingen verricht aan stukjes bot van verschillende van deze skeletten. Wij vonden uit deze metingen een historische ouderdom tussen 700 en 1000 AD, dus meer dan drie euwen voor de gewelddadige dood in 1296 van Floris V, aan wie volgens sommigen een der opgegraven skeletten zou hebben toebehoord. Ik moet er hierbij op wijzen, dat de spreiding van de hier opgegeven ouderdommen niet wordt bepaald door die van de radiokoolstofmeting op zichzelf, maar door de onvermijdelijke onnauwkeurigheid van de conversie van de radiokoolstofouderdom in de historische ouderdom.

Bij de voorbehandeling van de monsters zonderden wij door een eenvoudige chemische behandeling het collageen uit de botten af. Alleen dit bestanddeel werd na verbranding in de voor C-14 detectie gebruikte telbuizen gebracht. Verontreiniging van het gas kon door vergelijking van op verschillende manieren voorbehandelde monsters uitgesloten worden. Ook had zich niet, zoals in het onderhavige artikel wordt geopperd “ouder fossiel materiaal zich aan de botten gehecht”.

Er was dus kennelijk iets anders mis; wij waren er eerlijk gezegd van overtuigd, dat de gevonden botten van oudere skeletten kwamen dan die van de destijds te Rijnsburg begraven graven van het Huis van Holland en hun verwanten.

Maar er deed zich toch nog een mogelijkheid voor om de graven het gewenste graf in te praten: stel eens dat zij steeds aanzienlijke hoeveelheden vis hadden gegeten - en niet te veel anders dan dat. Dan zou de radiokoolstofouderdom in principe boven de echte ouderdom uit kunnen stijgen, omdat vissen, als zij op enige diepte in zee leven, 'verouderd' C-14 consumeren. Zo'n effect is inderdaad gevonden bij ijsberen, maar dat het bij mensen ooit groot genoeg zou kunnen worden om het gemeten verschil te verklaren lijkt, zoals ook de heer Van der Plicht opmerkt, niet waarschijnlijk.

Wij moeten de heren Maat en Cordfunke dankbaar zijn, dat ze materiaal hebben aangedragen waardoor het vertrouwen in het oorspronkelijke C-14 onderzoek wordt versterkt. Overigens, de scepsis van de heer Heidinga over de betrouwbaarheid van het C-14 onderzoek is in het algemeen zeker niet gerechtvaardigd. Wel moet men zich hoeden voor een overschatting van de bereikbare nauwkeurigheid: zo zijn de in de hier besproken bijdrage gegeven grenzen van 768-798 AD voor de historische ouderdom volstrekt illusoir, hoewel ze mooi tussen de onze in liggen. Inmiddels groeit het vermoeden dat Karolingers zijn opgegraven en dat de skeletten van Floris en de zijnen reeds lang geleden een ander lot heeft getroffen.

    • H. de Waard