Een olie-geitje

In 1985 hield Shell het na zeventig jaar op Curaçao voor gezien. De raffinaderij was niet meer rendabel en werd voor één gulden aan de eilandsregering verkocht. Hiermee kocht Shell het schoonmaken van het vervuilde milieu af. Een boete van een miljard had meer voor de hand gelegen.

Maar zover kwam het lang niet. Integendeel, Curaçao mocht blij zijn dat het spul niet werd ontmanteld om het in Pernis opnieuw overeind te zetten. Tenslotte had Shell al die tijd voor werkgelegenheid gezorgd. Wat Shell zelf aan het eiland had verdiend deed niet ter zake en wie over zoiets als een schadeloosstelling begon had geen gevoel voor juiste verhoudingen. Van V.S. Naipaul en Ken Saro-Wiwa had toen nog niemand gehoord. Daar zaten ze dan met een verlaten oliefabriek en een sociaal ontwricht en vernield eiland.

Duizenden Antillianen kochten voor hun laatste spaarcenten een ticket en liepen vanuit Schiphol de Bijlmer in om met bijstand en drugshandel hun leventje voort te zetten. Net als bij Suriname dacht Nederland er goedkoop van af te zullen zijn. Het is een dissertatie waard om na te gaan waarom Nederland zich bij het afhandelen van het kolonialisme tot nu toe verkeek.

Vanaf 1915 kocht Shell grond om het 'Schottegat' op. Een landbouwgebied om een binnenwater, een natuurlijke haven dat via een smal lang water (Sint Annabaai) met de zee verbonden is. Aan de uitmonding ligt aan weerszijden Willemstad.

Landhuizen en plantages werden gesloopt. Achter een hoog hek en door wildroosters beschermd, werd naar Indisch model een woonwijk voor Nederlandse arbeiders (employés werden ze genoemd) aangelegd. De zwarten werden hier streng geweerd. Voor hun huisvesting werd niet veel gedaan. Er ontstonden krottenwijken op waardeloze stukken grond in de rook- en stankpluim van de oliefabriek. Voor buitenlandse gastarbeiders werden ook achter hekken barakkenkampen gebouwd. Behalve voor de raffinaderij verwierf Shell elders op het eiland nog duizenden hectaren terrein om daar met ijzeren windmolens uit cowboyfilms zoet water op te pompen. De grondwaterspiegel zakte en het land verziltte. Met de landbouw was het heel snel afgelopen. Op het hoogtepunt (1953) bezat Shell 50 km2 grond (12,5% van het eiland) en telde 13.000 werknemers (50% van de beroepsbevolking).

Als kinderen hadden wij ons spel op Shell afgestemd. Zo lang mogelijk op blote voeten over gloeiende oliepijpen lopen en zonder teervoeten zo lang mogelijk over het strand. Vaak verbrandden wij wachtend op de schoolbus de billen aan deze pijpen.

De grootste speeltuin lag voor ons in het naar olie stinkende Schottegat. Daar lag bij Groot Kwartier een met kapotte hekken afgescheiden gedeelte waar olieresten werden gedumpt. Door stof en afval heen glom het dikke warme spul. Over omgevallen palmbomen en lege olievaten waagden we ons hier op. Ingestoken stokken kwamen er prachtig pikzwart uit. Loslopende geiten dreven wij op. Bleef er één in het asfalt vastzitten, dan keek ze verstijfd onze richting op. Wat konden we nog doen? Na enkele weken vonden we een uitgedroogd skeletje terug, trokken het er voorzichtig pootje voor pootje uit, maakten het met kerosine en chloor wit en gaven het de volgende dag cadeau aan onze nieuwe, net uit Nederland aangekomen schoolmeester.

    • Carel Weeber