Zuid-Afrika: rituelen van menselijkheid

EAST-LONDON, 17 APRIL. Dag twee. Buiten de donkerrode muren van het stadhuis leek Zuid-Afrika gisteren weer een gewoon land. Zwart en blank vulden de straten van East-London, deden vlug hun inkopen tijdens de lunchpauze of schoten de Wimpy binnen voor een megaburger. De batterij camera's voor het stadhuis was uitgedund, het eerste leed was doorgeseind. De openingszitting van de Waarheidscommissie was voorbij, nog twee jaar te gaan.

Binnen roerden zich de monsters onder de oppervlakte van Zuid-Afrika. De opwinding van het begin was gaan liggen, maar de verhalen van slachtoffers over de misdaden van de apartheid waren voor een halfvolle zaal niet minder aangrijpend. De Commissie voor Waarheid en Verzoening liet de slachtoffers praten en uithuilen en keek niet te veel op de klok. Aartsbisschop Desmond Tutu ontwikkelde ter plekke nieuwe rituelen van troost en menselijkheid. Hij kon zijn eigen tranen niet verbergen.

De Waarheidscommissie is door de regering-Mandela aangesteld om het 'vuile verleden' van de apartheid te onderzoeken, amnestie te verlenen aan de daders en de slachtoffers financieel te compenseren. Gisteren behandelde zij vier moorden die tot de meest bekende van de jaren tachtig behoren. Vier jonge activisten van het Verenigd Democratisch Front, de mantelorganisatie van het ANC, werden in 1985 nabij Port Elizabeth vermoord nadat zij bij een wegversperring van de politie waren aangehouden. Hun verminkte en verkoolde lijken werden later naast de uitgebrande auto gevonden. Zij aan zij zaten de vier weduwen van Matthew Goniwe, Fort Calata, Scelo Mhlawuli en Sparrow Mkhonto gisteren op de verhoging op drie meter afstand van Tutu en de commissieleden. In de zaal keken een paar honderd zwarten geconcentreerd toe, met de herkenning van een gedeelde geschiedenis op hun gezicht.

Nomonde Calata, een statige vrouw in rode trui en blauwe rok, vertelde over haar leven met Fort en hun drie kinderen. Fort Calata was een leider in de zwarte gemeenschap in Cradock. Hij organiseerde een huurboycot, en was een permanent doelwit van de veiligheidspolitie. Op een dag in 1985 verliet hij met zijn drie vrienden het huis, op weg naar een politieke vergadering, en keerde niet terug. Mevrouw Calata, hoogzwanger van haar vierde kind, kon niet meer slapen van de angst. “Fort bleef nooit zomaar weg.” Toen ze had verteld hoe ze in de ochtendkrant, die ze zelf in de buurt rondbracht, las dat de auto van haar man was uitgebrand, stortte ze in. Ze wierp haar armen en hoofd achterover en huilde met lange uithalen die scheurden door de plechtige stilte van de zaal. Het was na anderhalve dag van gruwelijke oral history voor velen te veel. De weduwen omringden hun vriendin om haar te troosten. Commissieleden beten op hun lip en wreven zich in de ogen. De hele zaal leek de tranen los te laten. Een blanke Zuidafrikaanse collega naast mij, gehard in de verslaggeving aan het binnenlands front, barstte in snikken uit. Dit was ook zijn land, dit was ook zijn geschiedenis.

Na een schorsing van tien minuten kwamen de commissie en de getuigen terug in de zaal. Er waren geen woorden om opnieuw te beginnen. Op een onzichtbaar teken stond de zaal op en Desmond Tutu begon zachtjes te zingen: “Senzeni na, Senzeni na, Sihlushwa nje.” (Wat hebben we gedaan, wat hebben we gedaan, waaraan hebben we deze pijn verdiend.) De zaal zong het kwetsbare, slepende Zoeloe-lied mee, dat zo vaak op zwarte begrafenissen is gezongen. Sommigen hielden de vuist in de lucht, anderen staarden naar de grond. Zo zongen zwarte en blanke Zuidafrikanen zich door hun verdriet heen, samengesmeed in Tutu's ritueel.

Daarna kon Nomonde Calata doorgaan. Ze vertelde hoe ze Fort in het mortuarium had teruggevonden: zijn haren uitgerukt, met wonden over zijn hele lichaam en hondebeten in zijn benen. “Dat kun je toch niet geloven: dat zelfs de honden eraan hadden meegedaan.” De vier kregen een massa-begrafenis, een manifestatie van rouw en zwart protest tegen het apartheidsbewewind. Twee weken na de begrafenis beviel ze van een zoon. De veiligheidspolitie klopte een paar dagen later weer aan haar deur. “Een van de politiemannen keek naar mijn baby en zei: 'Wil je niet dat wij de vaders van je kind worden?' Ze wilden me uit mijn huis zetten. 'Je hebt geen geld, want Fort heeft je geen cent nagelaten', zeiden ze. 'Als je me weg wilt hebben, moet je me eerst doodschieten', heb ik hun geantwoord. Toen gingen ze weg.”

Drie jaar geleden werd meer licht geworpen op de moord op de 'Cradock Four', toen een geheim memorandum uitlekte van de generaal van de militaire inlichtingendienst, Joffel van der Westhuizen. Het was geschreven vlak voor de dood van het viertal. De generaal gaf opdracht aan zijn ondergeschikten om Matthew Goniwe “permanent uit de samenleving te verwijderen”. Het onderzoek werd heropend. Een rechter van het Gerechtshof in Port Elizabeth oordeelde vorig jaar dat de veiligheidsmachten verantwoordelijk waren voor de moord op de 'Cradock Four', maar besloot geen individuen te vervolgen wegens onvoldoende bewijs. Advocaten onderhandelen namens de vier weduwen met het ministerie van Defensie over een schadevergoeding. “Ik zal blij zijn als ik weet wie Fort heeft vermoord”, zei zijn weduwe. “Twee van mijn kinderen weten niet wie hun vader is. Ze vragen me steeds wie hij was. Ik probeer vader en moeder tegelijk te zijn, maar het is niet gemakkelijk. Ik hoef niet te weten waarom hij zo wreed is vermoord, ik wil alleen weten wie ons dit heeft aangedaan.”

Of het werk van de Waarheidscommissie tot een nationale katharsis zal leiden, of tot nieuwe bitterheid, zal pas op termijn blijken. Gisteren werd wel duidelijk waarom Nelson Mandela juist Desmond Tutu als voorzitter koos: Tutu kent verdriet, en kent mensen. Zijn humane oprechtheid kalmeerde de slachtoffers. “Mama”, zei hij nadat de 83-jarige mevrouw Toni Lilian Mazwai had getuigd hoe haar zoon in een vuurgevecht met de politie was omgekomen, “ik ben zo trots op u. Ze hebben geprobeerd uw geest te breken, zoals ze hebben geprobeerd de geest van ons allemaal te breken. Ik ben er trots op dat ik een zwarte man ben en dat wij moeders hebben als u.”