Zes procent

HET LOONGOLFJE BEGINT in Eindhoven en het is de vraag waar het eindigt. Philips heeft een CAO afgesloten met de twee bonden van middelbaar en hoger personeel, tegen de wensen van de industriële vakbonden en tegen de zin van de minister van Sociale Zaken. De ideologische eis van de industriebonden voor een 36-urige werkweek is hardhandig van tafel gewerkt. Philips, dat bij monde van scheidend topman Timmer geregeld heeft gewezen op de lengte van de werkweek bij de concurrenten in Azië, heeft daarmee een slag gewonnen.

Een loonstijging van zes procent gespreid over twee jaar valt, gezien de inflatieverwachtingen, wel mee, maar dat de arbeidskosten bij Philips omhoog gaan, is duidelijk. De Industriebonden overwegen te gaan staken voor korter werken en tegen een hogere loonstijging dan waarop ze hadden ingezet. Dat zal een interessante actie worden.

Het Philips-contract vormt een barst in de brede sociaal-economische consensus dat de Nederlandse economie in grote lijnen gebaat is bij een gematigde loonontwikkeling. Als het bij de CAO's van andere grote ondernemingen dezelfde kant op gaat, vrezen minister Melkert en de vakbondsleiders voor het einde van de strategie om met loonmatiging de werkgelegenheid te bevorderen. Het vakbondsstreven om met een werkweek van 36 uur werk te verdelen, dreigt eveneens verloren te gaan. Op de achtergrond spelen ongetwijfeld zorgen dat de 'koppeling', de politieke schakeling van de uitkeringen en het wettelijk minimumloon aan de gemiddelde loonstijging in de marktsector, lastiger betaalbaar wordt als in de markt dure contracten worden afgesloten.

De gebrekkige loonflexibiliteit in de Nederlandse arbeidsmarkt wordt treffend geïllustreerd door deze verwevenheid van één bedrijfs-CAO met de speerpunten van het sociaal-economische beleid. Maar dynamiek in de arbeidsmarkt vereist een groot aantal samenhangende maatregelen, die te maken hebben met beloningsverschillen, met prikkelende verschillen tussen uitkeringen en inkomsten uit werk en met internationale concurrentieposities.

HET CAO-AKKOORD bij Philips moet vanuit die invalshoeken bekeken worden. Timmer heeft zich vaak uitgelaten over de hoge brutoloonkosten in Nederland. Dan gaat het om de internationale concurrentiepositie van Philips en om de vraag of Philips een groter deel van zijn produktie zou moeten overbrengen naar de zogenoemde lage lonenlanden in Azië.

In het debat over Nederland als industriële vestigingsplaats heeft Philips de actie voor korter werken met succes afgeslagen, maar de geloofwaardigheid is niet groter geworden door zo snel akkoord te gaan met stevige salarisverhogingen. In Duitsland is dat in de jaren na de vereniging, toen de orders nauwelijks konden worden verwerkt dankzij de impuls van de Oostduitse wederopbouw, ook gebeurd. Werkgevers gaven dure CAO's weg alsof het niets kostte - en nu zit Duitsland met de duurste werknemers ter wereld, de export van banen, een naoorlogs record van werkloosheid en een begin van consensus over loonmatiging en beperking van de sociale zekerheid.

PHILIPS HEEFT de Industriebonden van FNV en CNV een slag toegebracht door met de twee andere bonden een akkoord overeen te komen in de wetenschap dat een werkweek van 36 uur het bedrijf ook geld zou hebben gekost. Nu is het gevecht met de vakbonden over een flexibeler arbeidsmarkt afgekocht, maar niet gestreden.