Tv-bemoeienis van machthebbers

Voor tv-verslaggevers die onderzoeksjournalistiek bedrijven kent het métier aanzienlijk meer obstakels dan voor 'muckrakers' van kranten of weekbladen. Hinderlijk is in de eerste plaats de aard van het medium: waar de kranteman volstaat met blocnote en pen, zeult de tv-verslaggever een complete crew achter zich aan. Als veel informatie niet daadwerkelijk in beeld kan worden gebracht - wat vaak voorkomt als discretie en anonimiteit geboden is - valt de tv-maker al snel terug op suggestieve of geënsceneerde beelden.

Zo'n knieval voor de visuele aantrekkelijkheid werd Steven de Vogel en Ton F. van Dijk van KRO's Reporter verweten, toen zij in 1994 het commissariaat van toenmalig CDA-fractieleider Elco Brinkman bij een in opspraak geraakt familiebedrijf openbaarden. De onthulling zelf verbleekte enigszins in het tumult over de vorm van de uitzending. Onthullingsjournalistiek vergt uitleg van veel boven water gehaalde feiten, wat vrijwel haaks staat op het snelle beeldwisseling en emoties vereisende medium televisie. KRO's 'Arscop-affaire' liet zien dat niemand meer sidderend de resultaten van onthullingsjournalistiek hoeft af te wachten.

Dat deze vorm van journalistiek minstens zoveel bedreigende als kwetsbare aspecten kent, ondervonden Van Dijk en De Vogel andermaal na hun 'ongeautoriseerde biografie' van Frits Bolkestein, ruim een maand geleden door de KRO uitgezonden. Een paar weken geleden hekelde Bolkestein voor studenten niet alleen de uitzending, maar ook de poging van het tweetal om bij de FIOD een tip over het belastinggedrag inzake een commissariaat van de VVD-fractieleider te verifiëren. Omdat het bewijs voor een vermeende 'Zwitserse bankrekening' ontbrak, haalde niets daarvan de KRO-uitzending. Dit was ook nooit in de openbaarheid gekomen, als niet Bolkestein zèlf erover was begonnen. Inmiddels heeft de KRO een strafklacht ingediend tegen de directeur-generaal van Financiën, mr J. van Lunteren, die zijn ambtsgeheim zou hebben geschonden door Bolkestein van de aan de FIOD in vertrouwen gestelde vragen op de hoogte te brengen.

Met deze schermutselingen is een nieuwe fase aangebroken in de verharding tussen het wroetende deel van de tv-journalistiek en het overheidsapparaat. Niet alleen in politieke, ook in justitiële kringen neemt de strijdlust toe. Neem de uitzending van Zembla over de Algemene Inspectie Dienst (AID) van twee weken geleden, waar procureur-generaal Docters van Leeuwen persoonlijk een stokje voor probeerde te steken. De programmamakers hadden een geheim rapport in handen gekregen over de illegale handel in beschermde diersoorten. De oud-BVD-chef dreigde aan de vooravond van de uitzending met schadeclaims als de VARA het justitieel onderzoek zou doorkruisen.

De 'super-pg' had het van de zomer in het blad van het openbaar ministerie (OM) al aangekondigd: Media die onnauwkeurig berichten over justitiële zaken, kunnen op maatregelen rekenen. Afgelopen vrijdag beklaagde Docters van Leeuwen zich over het feit dat hij steeds vaker wordt geconfronteerd met “journalistieke publicaties die maatschappelijk onaanvaardbaar zijn”. Dat gebeurde op een zitting van de Raad voor de Journalistiek, waar het OM een klacht had ingediend tegen het VPRO-tv-programma Lopende Zaken. Daarin vertelde een advocaat hoe zijn cliënt - een criminele informant die moest getuigen voor de commissie-Van Traa - door Docters van Leeuwen het zwijgen was opgelegd.

Is het waar dat de media, zoals Docters van Leeuwen beweert, tegenwoordig “regelmatig hoor en wederhoor negeren” of, zoals VPRO-tv-hoofdredacteur H.M. van den Brink onlangs betoogde, “in een sfeer van intimidatie” moeten opereren? Duidelijk is dat programmamakers en justitie minder geneigd zijn om het bij een gevoelig onderwerp op een akkoordje te gooien: de journalist zit bijvoorbeeld op een spoor, het OM duldt een cameraploeg bij een inval of ontruiming, in ruil voor zeggenschap over inhoud en tijdstip van uitzending. Zo'n soort 'samenwerking' stond Docters van Leeuwen waarschijnlijk ook voor ogen, toen hij de VARA benaderde om de uizending vooraf te komen bekijken. Blijkbaar beseft hij niet dat justitie zijn eigen verantwoordelijkheid heeft: zich richten tot de aangeklaagden in media-uitingen, in plaats van tot de boodschapper zelf.

Dat programmamakers zich door machtsvertoon niet laten beïnvloeden kenmerkt slechts hun professionaliteit. Wat het meest verbaast in de houding van de 'slachtoffers' van de genoemde journalistieke onderzoeksprojecten - hoe onvolkomen in enkele gevallen misschien ook - is, dat zij blijkbaar nog in de veronderstelling leven dat televisie gemeenschappelijk bezit is; een medium waar elke belanghebbende aan het stuur mag zitten. Gelukkig is de tijd voorbij dat een autoriteit tevoren kan uitmaken of een uitzending hem welgevallig is. Televisie is in het beste geval net zo'n journalistiek medium, met zijn eigen merites en opdracht, als een onafhankelijk dag- of weekblad.

    • Tom Rooduijn