Palestijnen Libanon: strijd enige uitweg

Vrede met Israel is uitverkoop van de Arabische, dan wel de islamitische zaak aan de joden - daarover zijn alle tegenstanders van het Arabisch-Israelische vredesproces het eens. In Libanon is de emotionele weerstand zo groot, omdat veel Libanezen, met name moslims, al decennia lang worstelen met de vraag wat hun eigen identiteit is en die vraag beantwoorden met de wens in een groter geheel te worden opgenomen. Voor hen is het een onverdraaglijke gedachte dat 'de Arabische Natie', 'de Islamitische Natie', of 'Groot-Syrië' zó machteloos zijn dat zij vrede zouden moeten sluiten met - dat wil zeggen capituleren voor - de joodse staat.

Vandaar dat in Libanon niet alleen de radicaal-islamitische bewegingen voorbereidingen treffen om met zelfmoordacties “Amerika en Israel te vernietigen”, zoals Hezbollah heeft aangekondigd. Ook minder islamitisch gekleurde bewegingen werken al enige tijd aan dit soort acties.

Dertien jaar geleden waren aanhangers van de Syrisch Sociaal-Nationale Partij (een fascistische beweging in Libanon die overwegend uit christenen bestaat) reeds bereid om voor hun ideaal van een Groot-Syrië hun leven te offeren. De Syrische media berichtten toen vol enthousiasme over hun patriottische inzet, die met de islam niets te maken had. Zij waren de eersten die - gezeten op ezels of in auto's die met explosieven waren beladen - op Israelische patrouilles in Zuid-Libanon inreden.

Vroegere strijdmakkers van Yasser Arafat in Libanon zijn thans ook van plan zelfmoordacties te ondernemen. Zij zijn leden van Al-Fatah, de door Arafat gestichte en geleide organisatie. In het verleden zagen zij in hem hun Vader en Broer, nu beschouwen zij hem als een ellendige verrader. En dus volgden zij het voorbeeld van voorgaande afsplitsingen van Al-Fatah - in 1973 onder leiding van de beruchte Abu Nidal, tien jaar later onder de wat minder vermaarde Abu Moussa.

In één opzicht verschillen zij echter van hun voorgangers: hun strijd is er nu vooral op gericht als levende bommen in actie te komen, het liefst in Palestina zelf. Hun voorbeelden zijn de shi'itische Hezbollah, de sunnitische Hamas en de Islamitische Jihad (oorspronkelijk van sunnitische huize, maar intussen sterk beïnvloed door de shi'itische leerstellingen van Irans Islamitische Revolutie).

Deze Fatah-rebellen zijn in principe net zo bedreigend voor Israel als de radicaal-islamitische groepen. Maar uit politieke overwegingen probeert de Israelische regering hen als potentieel gevaar zoveel mogelijk dood te zwijgen. Het vertrouwen van de Israelische publieke opinie in het vredesproces zou immers nòg meer beschadigd worden, als bekend werd dat mensen die zich Al-Fatah noemen, dezelfde acties voorbereiden als de radicaal-islamitische groepen. Israelische helikopters maakten gebruik van de huidige oorlog tegen Hezbollah om meteen ook het huis te bestoken van Munir Maqdah, leider van de Fatah-afvalligen in het Palestijnse vluchtelingenkamp Ain al-Hilweh. Volgens de berichten bleef hij ongedeerd. Want zulke operaties kunnen in feite alleen door grondtroepen succesvol worden uitgevoerd en niet vanuit de lucht.

Ook Arafat heeft de afgelopen jaren deze opstandelingen te vuur en te zwaard bestreden - eveneens zonder succes. Hij heeft in Ain al-Hilweh domweg te weinig aanhang. Vrijwel alle 80.000 Palestijnse inwoners zijn vluchtelingen uit 1948, toen Israel werd gesticht. Zij en hun nazaten komen uit Galilea. Jarenlang voerden zij in Libanon oorlog tegen Israel, tegen de strijdgroepen van de Libanese christenen en shi'ieten, en tegen Syrië - vaak in in uiterst hachelijke omstandigheden. Elke keer overleefden zij. Dat gaf hun een gevoel van onafhankelijkheid. En dus vertrouwden zij de commandanten die Arafat uit Tunis naar hen stuurde steeds minder. Zij wisten wat ze wilden en zij waren niet van plan naar de bevelen te luisteren van 'die lui van buiten'.

Totdat Arafat in 1993 een principe-akkoord over vrede met Israel tekende, koesterden zij - tegen beter weten in - nog enige hoop dat zij eens, in een verre toekomst, 'naar huis' zouden terugkeren. Arafat zélf had hun dat immers voortdurend beloofd. Maar sinds de Oslo-akkoorden beseffen zij dat Arafat die droom in feite heeft opgegeven. De helden, die medio jaren '80 tegen Israel, Syrië en Syriës Libanese bondgenoten streden en daarvoor uitbundig door de PLO werden geprezen, tellen sinds 1988, toen de intifadah, de Palestijnse volksopstand in Israels bezette gebieden, zo'n succes werd, niet meer mee. Hun eigen PLO, die de werkgelegenheid verzorgde voor 60 procent van de Libanese Palestijnen, heeft hen - zo ervaren zij het - als oud vuil aan de kant gezet.

Ain al-Hilweh is het grootste Palestijnse vluchtelingenkamp van Libanon. Het werd tijdens de Israelische invasie van 1982 vrijwel volledig verwoest, toen de toenmalige Fatah-commandant weigerde te capituleren en iedereen die de strijd wilde opgeven, doodschoot. Nadien werd het kamp weer opgebouwd. Maar omdat de Palestijnen in Libanon buitengewoon impopulair zijn en de Libanese regering voortdurend herhaalt dat zij hen liever kwijt dan rijk is, worden zij van alle kanten gediscrimineerd. De overheid past een 'ontmoedigingsbeleid' toe om hen zo snel mogelijk te doen vertrekken. Zelfs de bouw van hun huizen wordt aan banden gelegd. Werkvergunningen kunnen zij niet krijgen, zodat de werkloosheid in Ain al-Hilweh nu ongeveer veertig procent bedraagt, terwijl ongeveer zestig procent van de 350.000 Palestijnen in Libanon beneden de armoedegrens leeft.

Voor hen is er geen uitweg. Israel zal onder geen beding toestaan dat zij naar hun vroegere woongebied terugkeren, omdat Galilea nu al een zeer grote Arabische bevolking heeft en in Israel het besef leeft dat als er te veel Arabieren bij komen, de joodse staat op termijn in gevaar komt. Zelfs als Israel zou instemmen met hun komst naar de Palestijnse staat in wording, zal die staat hen slechts mondjesmaat kunnen opnemen, omdat zij een te grote economische belasting vormen.

Niet bekend

Dus blijven vele tienduizenden Palestijnen in hun uitzichtsloze ellende in Libanon gevangen. De PLO, hun vroegere werkgever en beschermheer, besteedt geen cent meer aan hen. Ook de buitenwereld heeft hen in de euforie van het vredesproces, dat alleen aandacht schenkt aan de in Palestina woonachtige Palestijnen, vergeten.

Nu de Libanese Palestijnen aan zichzelf zijn overgelaten, zien velen slechts één uitweg: door middel van nòg meer strijd alsnog naar Palestina terug te keren, of - als dat niet lukt - in elk geval in het hemelse Paradijs welkom te worden geheten.

    • Michael Stein