100 Jaar Cinema (28); La dolce vita

Scooters, zonnebrillen, dames met een sjaaltje over het opgestoken haar geknoopt, wijde rokken en dunne dasjes vormen in het midden van de jaren negentig de avant-garde van het modebeeld. Lijkt de nieuwe Martini-reclame in zwart-wit Michelangelo Antonioni's L'avventura (1960) te citeren, vorige week stopte De Bijenkorf een reclamefolder in mijn bus met als thema 'cinema bianconero'. La dolce vita (1960) van Federico Fellini (1920-1993), een parade van verveelde orgieën in de Romeinse beau monde, die elkaar placht te treffen rond de via Vittorio Veneto, blijkt de hipste film van dit moment.

Retrotrends hebben meestal met cycli te maken en lenen zich slecht voor serieuze duiding. Wel valt te constateren dat wat vijfendertig jaar geleden scandaleus was nu ontroering wekt. Het nachtelijke pootje-baden van roddeljournalist Marcello Mastroianni en Zweedse filmdiva Anita Ekberg in de Trevifontein roept nauwelijks meer de associatie op van ongebreidelde lust en liederlijkheid. Maar het beeld van La Ekberg onder de waterval is een eigen leven gaan leiden. De scène overtuigt nog volledig in de toeristische betovering, die de buitenlandse Ekberg ervaart wanneer ze plotseling aan het eind van een steegje die barokke waterpartij ontwaart. En ook het kleine witte poesje dat ze op haar hoofd zet en waar Marcello melk voor moet halen, is magisch gebleven.

Overigens gaat La dolce vita vooral over profanisering. Een beeld van Jezus bungelt aan een helikopter boven de Eeuwige Stad. Gebarend trachten Mastroianni en zijn fotograaf, die Fellini voor het eerst Paparazzo noemde, uit de hemel afspraken met meisjes in bikini te maken. Ekberg betreedt het Vaticaan in een modieuze soutane, een Mariaverschijning wordt door de media verbreid, maar door de geestelijkheid afgekeurd. De meest spirituele bijfiguur blijkt een zelfmoordenaar, aan het slot openbaart God zich in een zeemonster.

Er zijn geleerden die beweren dat het filmbeeld in de twintigste eeuw de rol van de religieuze sacramenten heeft overgenomen. Het werk van Fellini leent zich het best voor de bewijsvoering, vooral La dolce vita en Roma (1972), met de modeshow voor geestelijken en het verdwijnen van antieke fresco's, zodra het daglicht toetreedt.

Fellini, die in 1960 nog dicht stond bij de verbazing van Antonioni over de 'vervreemding' van de moderne mens, zou later zijn eigen onbewuste bronnen voor ons gaan openleggen. Dat leidde tot verrukkelijke, slechts zelden (zoals in Casanova) verontrustende filmkunst; de schok van het besef dat God niet meer meedeed was minder aangenaam, maar blijkt inmiddels rijp voor jeugdsentiment.

    • Hans Beerekamp