Waterschap zorgt voor droge voeten waar de markt faalt

E.J. Bomhoff noemde de produkt- en bedrijfsschappen onlangs niet meer van deze tijd. Ze kunnen maar beter verdwijnen: “Schrap het Schap”. Frans van Waarden en J.W. Wessel zijn dit niet met Bomhoff eens.

Verplichte heffingen zijn nuttig en nodig voor de financiering van collectieve voorzieningen. Bovendien zorgen de schappen voor een betere marktwerking.

'Waar verplichte heffingen zijn is narigheid.' Zo begon E.J. Bomhoff een kritische column over de produkt- en bedrijfschappen (NRC HANDELSBLAD, 25 maart). Hij kan gelijk hebben. Het dilemma is alleen: waar verplichte heffingen ontbreken is nattigheid. En dat is nog groter narigheid.

Bomhoff gaf het voorbeeld van de opticiens. Het schap waarin zij verplicht georganiseerd zijn, het Hoofdbedrijfschap Ambachten (HBA), heeft besloten een heffing aan de bedrijfsgenoten op te leggen om een gemeenschappelijke reclamecampagne voor brildragen te financieren. Dat kan ze dankzij haar publiekrechtelijke bevoegdheden.

Het schap is net een gemeente. Een deel van de samenleving - in dit geval een bedrijfstak - bestuurt zichzelf en is daartoe toegerust met overheidsgezag. Ze kan bindende regels afkondigen en 'belastingen' heffen onder de 'inwoners' ten behoeve van voorzieningen van die gemeenschap. Een kleine minderheid in deze 'gemeente', de grotere ketens van brillenmakers zoals Anders en Pearle, waren het niet eens met dit besluit. Ze adverteerden liever zelf voor hun goedkopere monturen en glazen. Pervers, dit soort verplichte heffingen, vindt de heer Bomhoff. Alleen maar narigheid. Zo komen de besturen veel te makkelijk aan hun centen. Schrappen dus die schappen.

Een actueel voorstel. Dezer dagen overwegen de betrokken ministers inderdaad de afschaffing of inperking van de schappen. Zal het zover komen? En zijn verplichte heffingen wel altijd zo pervers?

Waarschijnlijk betaalt Bomhoff zelf ook een verplichte heffing aan een schap - en wel zijn waterschap. Die houdt daarmee de voeten van de polderbewoners droog. Maar wie weet, staat Bomhoffs huis boven zeeniveau. Op een terpje in de uiterwaarden. En heeft hij geen belang bij dijken, sloten en gemalen. Hij kan volstaan met een paar zandzakken voor zijn voordeur. Pervers dus, die dwang om mee te betalen aan een collectieve voorziening. Dat geld kan hij beter voor die zandzakken gebruiken.

Het voorbeeld laat zien dat heffingen nodig en nuttig zijn om collectieve voorzieningen te financieren. Droge voeten is zo'n typisch collectief goed. Alle polderbewoners profiteren ervan. Het is geen produkt dat individueel te verhandelen is. Daarom zal niemand daar vrijwillig een bijdrage aan willen leveren, uit vrees dat een ander, ook zonder te betalen, mee zal profiteren. Een reden dus om verplichte heffingen op te leggen om ze te financieren. De overheid ontleent daar haar ontstaansrecht aan. Alleen zij kan, dankzij het monopolie op legitieme geweldsuitoefening, allen dwingen een bijdrage te leveren. En in Nederland traceert de overheid haar oorsprong voor een niet onbelangrijk deel uit zulke waterschappen.

Maar collectieve reclame voor en door opticiens is toch van veel minder levensbelang dan droge voeten, zal een criticus tegenwerpen. Is het wel legitiem om daar een dwangheffing voor op te leggen? Is dat wel zo noodzakelijk? Dient de overheid zich niet tot 'kerntaken' te beperken, ook juist dat deel van de overheid dat 'produktschap' heet?

Aan wie is het echter om te bepalen wat kerntaken zijn? Is daar wel een absolute norm voor? Is het niet zo dat in de democratie de burgers zelf beslissen wat voor taken ze door een collectieve vertegenwoordiging behartigd willen zien? Als de meerderheid van de opticiens dat belangrijk vindt, waarom zou dat dan niet legitiem zijn? Dat zijn toch de spelregels van de democratie? Waarom zou dat ook op bedrijfstakniveau niet op kunnen gaan?

Bovendien: de collectieve voorzieningen die schappen met hun heffingen financieren zijn ook in het algemeen belang. Mede dankzij gemeenschappelijke reclame, exportbevordering, vakopleiding, onderzoek en ontwikkelingswerk en samenstelling van statistieken en bedrijfsvergelijkingen behoren de sectoren, die in schappen georganiseerd zijn, tot de economisch meest succesvolle van de Nederlandse economie. Ze kunnen de internationale concurrentie goed aan, getuige hun hoge aandelen in de wereldexportmarkt voor hun produkten. Daarmee dragen ze bij aan de algemene welvaart en werkgelegenheid.

Maar als bij de besluitvorming over 'kerntaken' nu niet alle betrokkenen aanwezig zijn? Is de uitkomst dan nog wel legitiem? Bomhoffs verontwaardiging komt ook voort uit zijn perceptie dat de dissidente minderheid onder de opticiens wel moest betalen, maar geen zeggenschap zou hebben. De branche is in het bestuur van de betrokken afdeling van het MBA aanwezig via haar vrijwillige vereniging, de Nederlandse Unie van Optiekbedrijven. De grote ketens van Anders en Pearle zouden echter uit de vereniging geweerd zijn en zo niet vertegenwoordigd zijn in het schap. Mocht dat juist zijn dan is dat nog geen argument om het schap maar te schrappen. Hooguit om de bestuurssamenstelling aan te passen.

Inderdaad is een basisprincipe van de democratie, al honderden jaren: no taxation without representation. De indirecte representatie van de branche, via de vrijwillige belangenorganisaties, kan inderdaad in sommige schappen tot onvolledige representatie leiden, namelijk daar waar de organisatiegraad laag is.

Vandaar dat er stemmen opgaan, zowel binnen als buiten de schappen, om de besturen samen te stellen via directe verkiezingen onder werkgevers en werknemers in de branche. Dat zou de legitimiteit van de besluitvorming over 'taken' van de schappen kunnen vergroten.

Elders gebeurt dat wel. In Oostenrijk is het bedrijfsleven verplicht georganiseerd in Industrie-, Ambachts-, Handels-, Arbeids- en Landbouwkamers. De besturen worden op basis van periodieke algemene verkiezingen in die sectoren gekozen.

Dat voorbeeld laat echter ook een belangrijk nadeel daarvan zien. Kandidaten worden, net als bij de gemeente, veelal gesteld door de landelijke politieke partijen, de socialisten, christen-democraten en liberalen. De besturen van de kamers bestaan daardoor uit fracties van dezelfde partijen die ook in de gemeentelijke en landelijke politiek actief zijn. Die partijen gaan zodoende als verbinding fungeren tussen de kamers en de politiek. Dat vermindert de onafhankelijkheid van beide en bevordert vermenging van functies en verantwoordelijkheden. Een gevaar waar men ook hier, mochten ook algemene verkiezingen ingevoerd worden, op bedacht moet zijn.

Blijft natuurlijk de spanning tussen algemeen en particularistisch belang. Is het gevaar niet groot dat bedrijven hun publiek gezag/sanctiemiddelen gebruiken - of misbruiken - om eigen belangen te realiseren, die in strijd zijn met algemeen belang? Soms liggen dat algemeen en bijzonder belang parallel of in elkaars verlengde. Soms kunnen ze ook tegenstrijdig zijn. Daarom blijft controle van andere en/of hogere autoriteiten nodig.

Maar dat probleem doet zich ook bij territoriale decentralisatie naar gemeenten voor. Of zelfs in het parlement. Toch is het daar geen argument voor afschaffing van die organen, waarom dan wel bij de 'functionele decentralisatie'? Het is overigens een illusie om te denken dat die spanning opgeheven kan worden door afschaffing van schappen. Dan gaat die spanning zich voordoen in een schemerwereld van lobbyisten, ambtenaren en politici. Zoals in de VS. De schappen waren juist organisaties der kanalisering en zichtbaarmaking, oftewel beheersing en controle van die spanning tussen algemeen en deelbelang.

Komen er straks schapsverkiezingen? Waarschijnlijk lijkt dat niet. De gedachten bij de overheid gaan blijkbaar eerder in de richting van omvorming van de schappen tot zelfstandige bestuursorganen (ZBO's). Dat wil zeggen: minder invloed van de branches in de besturen en afschaffing van de autonome regelbevoegdheden van de schappen. Het worden dan nog slechts organen die regelgeving, die van boven komt, zoals nu het Europese landbouwbeleid, in zogenaamd 'medebewind' uitvoeren.

Dat zou niet alleen jammer zijn omdat belangrijke collectieve sectorvoorzieningen in het gedrang kunnen komen, maar ook omdat de controle en legitimiteit zo eerder kleiner dan groter worden. De Rekenkamer had niet voor niets enige tijd geleden forse kritiek op het gebrek aan controle en verantwoording bij de reeds gevormde ZBO's.

Het bedrijfsleven lijkt massaal voor handhaving van de PBO te zijn. De Raad van Centrale Ondernemingsorganisaties, MKB Nederland, de Sociaal-Economische Raad, de vakcentrale FNV, de Dienstenbonden hebben zich alle voor handhaving uitgesproken. Ook de lagere medewerkers op de ministeries die zakelijk met de schappen te maken hebben, zijn er zeer over te spreken. Alleen de liberale gelovigen in de politiek/ambtelijke leiding van enkele ministeries willen schoon schip zonder schap. Dat doordrijven doet echter eerder aan theocratie dan een democratie denken.